Kunstschilder Valerius De Saedeleer (1867 - 1941) werd in 1933 uitgeroepen tot ereburger
van de stad Aalst. Hij kreeg ook een standbeeld aan de Oude Vismarkt en er werd
ook een straat naar hem vernoemd. Helemaal onderaan dit artikel vinden jullie een filmpje met 43 van zijn werken.
Tegen de wil van zijn vader volgt hij lessen aan de
Academie voor Beeldende Kunsten te Gent. Hier komt hij onder de invloed van
Franz Courtens.
Koppig als hij is onttrekt hij zich aan zijn vaders wil
en gaat zwerven van streek tot streek.
Als hij 37 jaar is, vestigt hij zich in Sint-Martens-Latem.
Aldaar maakt hij kennis met kunstenaars van de eerste Latemse school: Albijn
van de Abeele, George Minne, Gustaaf en Karel van de Woestijne en Albert
Servaes.
De Saedeleer ontwikkelt zich tot een uitmuntend
landschapschilder. Zijn verfijnde stijl draagt kenmerken van de Vlaamse
Primitieven. Zijn schilderijen worden gekenmerkt door een met uiterste zorg
gecomponeerde en gebouwde opzet.
Artistiek gezien, kent De Saedeleer zijn beste tijd
tussen 1904 en 1914. Pareltjes van zijn hand zijn onder andere “Winter in Vlaanderen”
en “Boomgaard”.
Tijdens de oorlog wijkt hij uit naar Groot-Brittannië,
maar vestigt zich in 1921 opnieuw in Vlaanderen, meer bepaald in Etikhove. Geïnspireerd door
het glooiende landschap en onder invloed van Breughel de Oude, legt hij zich toe op het schilderen van verscheidene landschappen.
Nog tijdens zijn leven, in 1933, wordt hij uitgeroepen
tot ereburger van Aalst.
Voor een kunstenaar van niveau, die wereldberoemde werken
heeft gepenseeld, was deze onderscheiding zeker terecht.
Valerius De Saedeleer sterft in 1941 op 74-jarige
leeftijd te Leupegem. Zijn laatste wens, begraven te worden in zijn
geboortestad Aalst, werd ingewilligd.
Valery Victor Emilianus Maria De Saedeleer wordt op 4
augustus 1867 geboren als zoon van Ludovicus Jacobus en Johanna Catharina
Borreman, in een nu verdwenen huis aan de hoek van de Nieuwstraat en het
Vredeplein te Aalst. Zijn vader bezit er een klein sodafabriekje en
zeepziederij, en kan getypeerd worden als exponent van een burgerlijk,
kleinstedelijk milieu. Snel blijkt de jonge, levendige Valery moeite te hebben
met dit traditionele, benepen bestaan, en de conflicten met vader en opvoeders
stapelen zich dan ook op.
Van 1877 tot 1883 volgt hij les aan de Rijksschool van
zijn geboortestad, waar hij wegens té levenslustig en ongeïnteresseerd in
studeren als slecht student geboekstaafd staat. De lessen aan de Stedelijke
Academie voor Schone Kunsten te Aalst interesseren hem meer, maar zijn ouders
willen niet horen van een artistieke loopbaan voor hun wispelturige zoon. Op
vijftienjarige leeftijd verlaat hij de schoolbanken, en wordt door z’n vader
gedwongen een 'aanvaardbaar beroep' aan te leren. Hiertoe wordt hij als
leerjongen tewerkgesteld bij de Gentse weverij De Leener (1883-1885), en tevens
dient hij lessen weefkunde te volgen aan de Nijverheidsschool te Gent.
Hij schrijft zich echter zonder medeweten van z’n ouders
in aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Gent. Het academische
onderricht ligt hem echter niet, en naar eigen zeggen leert hij er bitter
weinig. Belangrijk is wel dat hij hier kennis maakt met George Minne, met wie
hij levenslang bevriend zal blijven.
In 1885 verlaat hij de Gentse academie en breekt met zijn
teleurgestelde vader.
De jonge aspirant-kunstenaar trekt naar Brussel en gaat
er in de leer bij de populaire, uit Dendermonde afkomstige landschapsschilder
Franz Courtens (1854-1943). Hij werkt in diens atelier en leert er al doende
alle knepen van de schildersstiel. Courtens’ vlotte combinatie van een gematigd
impressionisme met gedegen naturalisme, uitgewerkt in een levendige, smeuïge,
bijna autonome penseelstreek bepalen zeer sterk de stijl van de eerste vijftien
jaren van De Saedeleers schilderkunst.
De té zware stempel van zijn leermeester
resulteert er echter in dat hij in deze jaren niet verder komt dan een
slaafs kopiëren, zonder het meesterlijke niveau van het origineel te
benaderen. Zoals zovelen zit hij op een doodlopend pad, en brengt een
oppervlakkige kunst voort, zonder eigen inbreng, zonder diepgang. Samen met
Courtens onderneemt hij verschillende studie- en schilderreizen doorheen
Vlaanderen en Nederland om er in open lucht pittoreske hoekjes en de
snelwisselende lichteffecten vast te leggen.
Op 14 november 1889 huwt de jonge bohémien te Aalst Clementina
’Clemmeke’ Limpens (1867-1930), een kruideniersdochter uit Erembodegem.
Haar
vader geeft haar als bruidsschat een belangrijke som geld mee, waarmee het
jonge koppel een kruidenierszaak opzet in Blankenberge. Zeer snel volgt het
faillissement, en breekt een zwervend, armoedig bestaan aan. We vinden hen
onder andere terug in Blankenberge, Wenduine, Damme en Gent.
In 1892 woont het
echtpaar te Afsnee, en van april tot oktober 1893 te Sint-Martens-Latem in het
kleine hoveniershuisje van de villa ’De Populier’ aan de Kortrijkse Steenweg.
In bijeenkomsten in het ex-klooster van de Geschoeide Karmelieten in het
Patershol ontmoet hij opnieuw zijn vriend George Minne, alsook de jonge student
Karel Van de Woestijne. In deze periode vlucht het echtpaar naar het
platteland, waar ze hopen door een innige verbondenheid met de natuur tot rust
te komen.
Van september 1895 tot 1898 wonen ze te Lissewege, waar
ze in hun levensonderhoud voorzien door kippen te kweken. Valerius neemt het
penseel opnieuw op en knoopt weer aan bij de door Courtens geïnspireerde
schilderstijl.
Een gevoel van ontevredenheid blijft echter hangen, zowel
geestelijk als artistiek. De landschappen die hij in deze -en vorige- jaren
schildert zal hij later zelf als waardeloos beschouwen: de compositie is te
gewoon, de kleur is te hard, de stemming is te koud, en vooral missen ze een
eigen persoonlijkheid. Hij zal zelfs proberen deze werken later terug te kopen
en te vernietigen.
SINT-MARTENS-LATEM (1898 - 1908)
Door toedoen van gemeentesecretaris Albijn Van den
Abeele, een vroegere kennis, huurt hij er een kleine witte hoeve aan de Leie,
achter de kerk nabij de ’Tempelhoeve’. Samen met zijn echtgenote, en met
financiële steun van mecenas Hector Van Houte (een Gents
apothekerkunstliefhebber) zet hij er opnieuw een kippenkwekerij op.
Hij wil zich echter opnieuw volop wijden aan de
schilderkunst en tracht hierin -voorlopig tevergeefs- een eigen stem te vinden.
In deze periode is Latem een zeer bescheiden dorpje van
ca. 1500 inwoners, hoofdzakelijk kleine keuterboeren. Het ligt zo’n 10 km van
Gent verwijderd, maar door de slechte verbindingen kent het toch een tamelijk
geïsoleerd bestaan. De ongerepte natuur, de landschappelijke verscheidenheid
(akkers, bossen, weiland, rivier) én het goedkope, eenvoudige leven trekken
verschillende stedelingen aan.
 |
De Leiebocht in St Martens Latem waar hij een tijdlang woonde |
Spoedig komen zijn vrienden artiesten Valerius De
Saedeleer één voor één te Latem vervoegen. Zoals hij, zijn ook zij op zoek naar
de idyllische rust van het platteland, weg van de revolutionaire onrust van de
stad. Eind 1989 Maurits Niekerk, midden 1899 George Minne, voorjaar 1900 Karel
Van de Woestijne en Julius De Praetere, en iets later Karels broer Gustave Van
de Woestijne. Nadien volgen nog Alfons Dessenis en Albert Servaes (1904).
In Latem zien we een kleine, hechte groep kunstenaars die
zich geestelijk verbonden weten door enkele gemeenschappelijke ideeën, maar die
toch geen ’school’ vormen. We bemerken immers géén eenheid van stijl, géén
uitgewerkt manifest, géén groepstentoonstellingen. Artistiek gaat ieder zijn
eigen weg, maar bij allen bemerken we een zelfde natuurgevoel, een zoeken naar
eenvoud, oprechtheid, verinnerlijking en zuiverheid.
Typisch voor
Sint-Martens-Latem is tevens de gezamenlijke mystieke belevingswereld, die
onder invloed van dorpspastoor Van Wambeke -een gecultiveerd en ruimdenkend
man- wordt gekanaliseerd naar geloofsijver en religieuze verdieping. Artistiek
zien we een reactie tégen de heersende artistieke conventies, tégen het
modieuze impressionisme en luminisme, tégen het vrijblijvende van de
oppervlakkig-zintuigelijke kunst, tégen het academisme.
Het is vooral de figuur van George Minne, die toen reeds
zijn œuvre grotendeels verwezenlijkt had en op een grote erkenning -zelfs
internationaal- kon rekenen, die de overigen inspireert. De intellectuele input
komt echter hoofdzakelijk van de zeer belezen Karel Van de Woestijne. Overigens
blijft ook het contact met de nationale en internationale kunstscène bewaard,
ondanks het zelfgekozen isolement: geregeld bezoekt men tentoonstellingen,
toneel- en muziekvoorstellingen te Gent en in binnen- en buitenland.
Het verblijf van Valerius De Saedeleer te Sint-Martens-Latem
kunnen we opdelen in twee periodes met 1904 als scharnierdatum.
Vóór 1904 maakt
De Saedeleer achter zijn kenmerkende masker van goedlachsheid en
vriendelijkheid een ernstige morele en artistieke crisis door. De zwarte
armoede houdt aan. Ook met zijn schilderkunst kan hij zijn gezin niet
onderhouden. Hij slaagt er echter niet in een eigen stijl te ontwikkelen, en
voelt zich steeds ongemakkelijker in zijn Courtens-epigonisme.
Artistiek kunnen we twee belangrijke nieuwe
inspiratiebronnen aanduiden. Er is vooreerst de ’Tentoonstelling van Vlaamsche
Primitieven en Oude Kunst’ te Brugge, die hij tussen 15 juni en september 1902
verscheidene keren bezoekt, en waarin hij vooral getroffen wordt door de zin
voor stilte, sereniteit en evenwicht. Ook de technisch perfecte werkwijze van
de oude Vlaamse meesters, met zorgvuldige tekening, precieze factuur en gladde
glacisafwerking inspireert hem uitermate. Vooral de panoramische, universele
landschappen van Pieter Bruegel de Oude met hun tijdloze schoonheid en natuurlijke
grootsheid zullen erg belangrijk blijken.
Op het jaarlijkse Salon te Parijs (’XIIIe Exposition de
la Société Nationale des Beaux-Arts’) in 1903 stelt De Saedeleer enkele
landschappen tentoon. Hij wordt er getroffen door de hier aanwezige, uitgestrekte
vergezichten van de Franse landschapsschilder Emile René Menard (1862-1930).
Hij ontdekt hier de tekortkomingen van zijn eigen werk, en tracht vanaf nu het
gehéle karakter van een landschap weer te geven aan de hand van panoramische
vergezichten in plaats van close-ups. De typische oppervlakkige Courtens-stijl
wordt nu verlaten; begrenzing en nabijheid wijken voor openheid en
onmetelijkheid; decoratieve effecten wijken voor diepgang en eenvoud.
1904 is het jaar van de artistieke doorbraak voor Valerius
De Saedeleer, en hierdoor zal hij eindelijk ook commercieel succes kennen. Zelf
beschouwt hij het schilderij ’Kalme Avond aan de Rivier’, nu bewaard in het
Stedelijk Museum Aalst, als zijn artistieke wedergeboorte en het echte
beginpunt van zijn carrière.
Sleutelwoord hierbij is ’synthese’: het
fragmentarische, anekdotische wordt vervangen door een globale visie op het
landschap, waarbij het karakter van een streek wordt weergegeven, eerder dan de
toevallige fysische verschijningsvorm. De persoonlijk gevonden innerlijke rust
van De Saedeleer uit zich in weidse, kalm voorbijglijdende panorama’s, die zich
in volmaakte stilte hullen en een tijdloos aspect bevatten. Hierbij staat de
compositie, de evenwichtige opbouw van het schilderij centraal: kleur, licht en
techniek zijn ondergeschikt aan het streven naar eenheid. Om dit te bereiken
reduceert hij het kleurenpalet, vereenvoudigt hij de vormen en laat onnodige
details weg.
Technisch gaat De Saedeleer een immense aandacht besteden
aan de ambachtelijke perfectie, in navolging van de sterk bewonderde oude
meesters. Nadat de compositie tot in de kleinste details voorbereid is, wordt
een precieze, gedetailleerde tekening aangebracht met scherp potlood. Hierna
worden zeer effen dunne verflagen aangebracht, waarover subtiele glacislagen
(transparante verf) komen. Hierbij wordt er scherp op gelet niet met vlotte
penseelstreken te werken, waardoor een ’onpersoonlijk’ handschrift ontstaat.
Tenslotte gaat De Saedeleer het oppervlak dikwijls nog gladschuren met puimsteen:
een egale verfhuid is zeer belangrijk!
Valerius De Saedeleer gaat nu deelnemen aan belangrijke
nationale én internationale tentoonstellingen, waarbij zijn nieuwe werk meestal
zeer positief onthaald wordt door kritiek en publiek: het driejaarlijkse
’Salon’ van Antwerpen in 1904, tentoonstellingen te Luik, Brussel, Gent,
Antwerpen in 1905, en, via de contacten van George Minne, ook de
tentoonstellingen van de avant-gardegroep ’Secession’ te Berlijn, München,
Leipzig, Frankfurt en Wenen. In maart 1907 vindt in Gent een eerste
solotentoonstelling plaats, en in 1908 stelt hij tevens tentoon in Londen. Het
eerder genoemde rivierlandschap wordt nu stelselmatig uitgebreid tot het
veelluik ’De Leiebocht’: hierdoor ontstaat een zeer breed frieseffect; iets later
neemt hij dit formaat trouwens over in afzonderlijke werken.
Rond 1907-1908 begint De Saedeleer meer aandacht te
besteden aan decoratief, kalligrafisch zeer verfijnd uitgewerkt takkenwerk
(liefst bladerloos), allicht onder invloed van de winterlandschappen van Bruegel,
en van het toen zeer populaire japonisme en Art Nouveau. Dit wordt een typisch
handelsmerk van de schilder. Zo tekent hij geslaagde fragmenten over op
calqueerpapier om het later te herbruiken in een andere compositie.
TIEGEM (1908 - 1914)
In 1908 verhuist De Saedeleer met z’n gezin (sinds 1901
werden reeds vier dochters geboren, een vijfde komt later ter wereld) naar
Tiegem in de Vlaamse Ardennen. Het succes in eigen land houdt aan: hij stelt
alom tentoon en de verkoop loopt vlot, ook het museum van Gent en het
Stadsbestuur van Aalst kopen werk aan.
Een uitgebreide studie wordt aan zijn werk gewijd (Valéry
D’Hondt in ’Nieuw Leven’, 1909), en zelf wordt hij medewerker van het Gentse
tijdschrift ’De Boomgaard’ van Paul-Gustave Van Hecke. Ook het buitenlandse
succes blijft voortduren: tentoonstellingen in Duitsland en Oostenrijk. Enkele
van zijn schilderijen worden (in kleur!) gereproduceerd in het Münchense
tijdschrift ’Jugend’, en ook zijn deelname aan de ’Wereldtentoonstelling voor
Schone Kunsten’ van Rome in 1911 gaat niet onopgemerkt voorbij. In 1913
ontvangt hij een gouden medaille op het ’Internationaal Salon’ van Wenen.
In 1913 neemt De Saedeleer met enkele werken deel aan de
Wereldtentoonstelling van Gent.
Eén van de getoonde werken (’Winter in
Vlaanderen’) wordt er aangekocht door koning Albert I, die het cadeau wil doen
aan zijn echtgenote.
De Saedeleer dient het reeds verkochte werk halsoverkop
terug te kopen van baron Louis de Bethune alvorens hij het kan afleveren ten paleize.
WALES (1914 - 1921)
Bij het uitbreken van de eerste Wereldoorlog vluchten de
families De Saedeleer en Gustave Van de Woestijne naar Engeland. Hier blijkt
hij echter moeilijk te kunnen doordringen tot de essentie van het landschap,
waardoor zijn schilderkunst er een eerder oppervlakkig karakter bezit. Door de
weergave van louter de uiterlijke schoonheid van het landschap produceert hij
weliswaar mooie, maar ietwat leegdecoratieve doeken. De synthese en diepgang
ontbreken.
ETIKHOVE (1921 - 1937)
Valerius De Saedeleer keert pas in 1921 met z’n gezin
terug naar Vlaanderen, en vestigt zich te Etikhove, in het beboste en
heuvelachtige land van de Vlaamse Ardennen waar hij spoedig omringd wordt door
een groep jonge kunstenaars: o.a. Luc en Paul Haesaerts, Ramah, George Creten,
Jean Milo, Jan De Cooman, Paul Maas, Edgard Tytgat, Leo Piron, Charles Leplae,
... .
Vooral het menselijke contact is hierbij belangrijk: een groep vrienden
die rond een gerespecteerde meester samenkomt en geanimeerde
discussiegesprekken houdt.
Op het toppunt van zijn roem wordt Valerius De Saedeleer
nu alom erkend als één der gekendste eigentijdse kunstenaars, als waardig
voortzetter van de grote Vlaamse kunsttraditie. Hij kent een enorm succes bij
vele kooplustigen, en neemt aan talloze binnen- en buitenlandse
tentoonstellingen deel.
Hij staat echter minder in de belangstelling van de
gespecialiseerde kunstpers die meent dat zijn werk niet meer tot de
vernieuwingbrengende avant-garde behoort. Zijn werk uit deze tijd is inderdaad
wat decoratiever en clichématiger. De compositie is sterk bestudeerd volgens
een steeds terugkerend schema, waardoor de natuur soms herleid wordt tot een
mooi plaatje. Hierdoor dreigt de synthetiserende kracht van zijn vroeger werk
uiteen te vallen, en het werk te verworden tot een formule. Het sterk door
Bruegel beïnvloede winterlandschap overheerst nu duidelijk, en ook het naast
elkaar plaatsen van een zomer- en winterversie van een zelfde landschap vallen
zeer in de smaak.
In 1930 overlijdt zijn echtgenote, en dit betekent een
zeer zware slag voor De Saedeleer, die er een groot deel van zijn legendarische
levensblijheid door verliest.
Ook zijn eigen gezondheid gaat achteruit, zeker
nadat hij in 1935 enkele lichte hartaanvallen te verwerken krijgt.
Op 27 juni
1933 beslist de gemeenteraad van zijn geboortestad Aalst hem het ereburgerschap
te verlenen, waartoe een tentoonstelling ingericht wordt in de Belfortzaal, en
een academische zitting plaats vindt op het stadhuis op 16 juli.
Overigens merken we medio jaren dertig een hernieuwde
belangstelling voor het werk van De Saedeleer, wat samenhangt met de
ineenstorting van de kunsthandel na de economische crisis van 1932. Voornaamste
slachtoffer hiervan is de ’harde’ avant-garde, ten voordele van het wat
gematigder, liefelijker werk. Verscheidene auteurs bestuderen nu De Saedeleers
œuvre in uitgebreide publicaties: Jean Milo in 1934, André De Ridder in 1937.
LEUPEGEM (1937 - 1941)
Na enkele maanden te Oudenaarde verbleven te hebben, gaat
De Saedeleer in 1937 inwonen bij een van zijn dochters te Leupegem, in de
’Villa Ten Berge’. Hij blijft er langzaam doorwerken in zijn gekende en
geliefde stijl, en ontvangt in datzelfde jaar de Staatsprijs voor Plastische
Kunsten als ultieme bekroning van zijn loopbaan.
In 1940 stelt hij nieuw werk tentoon in Galerij Dietrich
te Brussel, dat opvalt door een pregnante en ’jonge’ uitdrukking, wat er op
wijst dat de oude meester nog niet uitgeschilderd is. In 1941 wordt De
Saedeleer lid van de Koninklijke Academie van België.
Op 26 september van dit jaar overlijdt hij echter te
Leupegem en wordt er begraven. Twee jaar later, op 25 juli 1943, worden zijn
stoffelijke resten overgebracht naar zijn geboortestad, zoals hij zelf net voor
zijn overlijden gewenst had, en onder ruime belangstelling bijgezet in een
monumentaal grafmonument opgericht door het Stadsbestuur. Begraafplaats: Aalst-centrum, rij B rechts, grafnummer 29.
Op 23 april 1999 werd, in het kader van de heraanleg van de
Oude Vismarkt te Aalst een De Saedeleer-standbeeld van de hand van Marc De
Bruyn ingehuldigd. Een monumentale bronzen figuur staat er nu tussen het
Stadsarchief en het Stedelijk Museum Aalst, waar een volledige zaal gewijd is
aan de landschapsschilderijen van deze Aalstenaar.
De verzameling in Aalst bestaat uit een 15-tal werken, 3 tekeningen en een hele reeks etsen van de kunstenaar. Ook nu nog blijkt de kunstschilder heel populair te zijn in de Vlaamse kunstwereld. Sedert 2014 werden zijn werken maar liefst twaalf keer uitgeleend voor tentoonstellingen, waaronder bijvoorbeeld in Namen, Opmeer (NL) en zelfs in Tokyo en in Miyoshi-Hiroshima.
Hier een filmpje met 43 van zijn werken ...
Persoonlijk vind ik zijn 'Onweer boven Sint Martens Latem' en 'Einde van een sombere dag' (beide in het Museum voor Schone Kunsten te Gent) wel heel mooie werken.
 |
Onweer boven Sint Martens Latem |
 |
Einde van een sombere dag |
Voor meer info, klik op hun naam en je wordt doorgestuurd naar de betrokken pagina :
Bronnen
Stedelijk museum Aalst, Oude Vismarkt 1 (folder met alle info over Valerius De Saedeleer)
Wikipedia
MSK Gent
fine-arts-museum.be
tento.be