Nieuws uit Aalst

--------- Profiesjat Prinsj Joshy !!! ------- 't Principoilsjte vandaug es da ge ni te veil complementen mokt en genietj van 't leiven ! - - - - - - - Covid-19/Griep : Blijf aub voorzichtig en denk aan uw medemens !! - - - - - - - Deel enkel berichten van officiële bronnen om fake news te vermijden !!! - - - - - - - -

maandag 22 juni 2020

't Schoolke van Sint Anna - de zusters Franciscanessen - 't huis - Minor Ndako


Het is in de Volksstem van 26 augustus 1930 dat er ‘een gebeurtenis van het hoogste sociaal belang’ beschreven staat : een nieuwe school voor de volksmeisjes werd opgericht aan het bekende ‘Ezelspleintje’.

Over het Ezelspleintje is HIER trouwens meer te lezen.

Het nieuwe gebouw werd door de pers meteen bestempeld als 'een model van een bouw', en een 'voorbeeld van schoollokalen voor de kleuters'  
Er bevonden zich 8 klassen die het toonbeeld zouden moeten worden van hoe het moet. 
In de kleuterklasjes waren trouwens ook de jongens nog toegelaten, maar eens 6 (of 5,5 jaar oud) moesten zij andere oorden gaan opzoeken.

Hier een foto van het 'nieuwe gebouw' (met toen nog een muur en inkomstpoort - die later vervangen werden door een hek).


Op dit adres hadden de zusters Franciscanessen hun thuis. Deze zusters hadden in Aalst drie kloosters.

Het eerste klooster bevond zich in de Sint-Jozefstraat
Van daaruit trokken in 1909 zuster Adelaine, Idesbald en Flaviana naar de Heilig Hartparochie. Ze waren ook de grondleggers van het Sint-Gudulahuis. In 1910 konden ze zich installeren in het nieuwe huis van de orde. 
Het klooster in de Sint-Jozefstraat werd door de uitbreiding van het Sint-Maarteninstituut afgebroken. De kleuter- en lagere school van de zusters werd in het instituut opgenomen.

Het tweede klooster bevond zich in de Sint Gudulastraat
De drie laatste nog aanwezige zusters sloten op dinsdag 18 juli 2006 definitief deze kloosterpoort. Zuster Lydia (83), geboren in Moorsel, verbleef er 56 jaar. Na de bevrijdingsfeesten van 1945 trad ze toe tot de Orde van de Franciscanessen en na de aflegging van haar geloften kwam ze meteen naar Aalst.
Het was met spijt in het hart dat zuster Lydia vertrok, maar ze begreep dat het onmogelijk was om nog een klooster open te houden voor drie zusters. Eens verbleven er vijftien zusters in het Sint-Gudulahuis.
Zuster Benedictine (79) en Juliana (78) vertrokken daarna naar het rusthuis van de orde in Vinderhoute. Beide zusters verbleven ook al enkele jaren in de Sint-Gudulastraat. Zij kwamen van andere door de orde al gesloten huizen. Ook zuster Juliana werd geboren in Moorsel en zuster Benedictine in Aalst.
Met de sluiting van het klooster in de Sint-Gudulastraat, verdween meteen de laatste vestigingsplaats van de orde op het grondgebied van Aalst.

Het derde klooster bevond zich aan de Volksplaats


Van de geschiedenis van het klooster zelf is amper iets terug te vinden maar het is zeker dat d
prachtige tuin van het klooster de ideale plaats was  voor de klasfoto’s en het gebouw nog steeds een belangrijke plaats invult aan het 'Ezelspleintje' …

De Zusters Franciscanessen zijn verschillende congregaties voor vrouwen die als Derde Orde de regel van Sint-Franciscus volgen. De franciscanessen ontplooien meestal wereldlijke activiteiten, zoals in zorg en onderwijs ("actieve" zusters). Daarin verschillen zij van de Clarissen, die als tweede orde een contemplatief leven leiden.

De school in de Sint-Gudulastraat werd vroeger al overgedragen aan het centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning De Boomgaard uit Lierde. Ook de Voedselbank, de Speel-o-theek, de scouts Sint-Goedele en de Chiro gebruiken de schoolgebouwen. 

In de school op de Volksplaats wordt nog steeds les gegeven.
Daar bevindt zich immers een afdeling van de ‘Vrije Basisschool Sint-Maarten’ met het gewoon kleuteronderwijs en het gewoon lager onderwijs.

Maar terug naar 1930 nu. 
Op woensdag 27 en donderdag 28 augustus van dat jaar werd er een opendeurdag gehouden voor de nieuwsgierige ouders, die toch wel eens wouden weten ‘wat dat nu juist was met die nieuwe school’.

Het was op 24 augustus dat de officiële opening plaats had. Een stoet, komende uit de St Jozefstraat, bracht het Sint Annabeeld dat zich daar bevond, naar de nieuwe stek.


Helemaal vooraan stapte de muziekmaatschappij ‘Willen is kunnen’ en talrijke in’t wit gekleede ‘maagdekens’ droegen het beeld dat prachtig versierd was met bloemenkransen.
Daarop volgden de E.E. Zusters Franciscanessen met hun Zeer Eerwaarde Moeder Overste, die speciaal voor deze plechtigheid naar Aalst was gekomen. 

Natuurlijk waren ook vele andere personaliteiten aanwezig, waaronder enkele geestelijken van de St Jozefsparochie, Z.E.H. Kanunnik De Keyser (algemeen bestuurder van de Orde der Franciscanessen), Z.E.H. Van Britson (diocesaan schoolhoofdopziener) en natuurlijk ook de burgemeester (dhr Moyersoen)

De vele aanwezigen uit het onderwijs en andere genodigden werden geluk gewenst en gefeliciteerd met de smaakvolle versiering van de St Annawijk die voor deze gelegenheid helemaal bevlagd en versierd was.
Een heuse welkomstboog aan het begin van de nieuwe school liet er geen twijfel over bestaan dat dat ‘the place to be’ was voor een feestje.


Na de plechtige inwijding van de gebouwen volgde er een feestzitting waarbij ook een speech werd gegeven in naam van de bewoners van de wijk. 
Die eer was weggelegd voor dhr J. Van den Eynde

Hij verwoordde het als volgt :

Zeer Eerwaarde Heeren, Eerwaarde Zusters, Waarde Heer burgemeester, Mevrouwen, Mijne heeren,

Fier en gelukkig zijn we, deze prachtige volksschool in onze gebuurte te bezitten.
Fier omdat het bouwen dezer school in onze wijk een blijk van vertrouwen is in het volk dezer gebuurte.
Het Vlaamsche spreekwoord zegt : ‘De muren hebben ooren!’. Wij zeggen : ‘Dit heerlijke gebouw heeft een ziel’, het leeft en als een heraut van den koning der koningen roept het ons toe : ‘Hier sta ik met mijn klassen en zalen, zorg er voor dat ze volloopen met lieve kleinen, de vruchten van ’t verleden, de vreugd en zorg van het heden, de hoop van de toekomst’.
Fier zijn we omdat wij onze kinderen zoo dicht bij ons zullen weten, onder de moederlijke loede der Eerwaarde Zusters.

Gelukkig zijn we, omdat onze school geplaatst is onder de bescherming van de Heilige Moeder Anna.
Is de Heilige Moeder Anna niet de Moeder van Onze Lieve Vrouw?
Is de Heilige Maagd niet de beste der dochters, de beste der moeders?
Zal de Heilige Moeder Anna, onze Lieve Moeder Maria niet smeeken, onze kinderen op een bijzondere manier te beschermen opdat zij zouden uitgroeien in wijsheid en in deugd tot eer en troost van hun ouders.

Gelukkig zijn we, omdat deze school is een kristene school, waar men zich niet bepaalt tot het aanleeren van rekenen, leeren schrijven, enz. doch waar men ook ziel en hert vormt, waar men de kinderen God en hunne ouders leert eeren en beminnen, met die liefde, welke de grondslag is van alle tijdelijke en eeuwig geluk.

Er wordt wel eens gezegd : ‘Het Vlaamsche volk is een ruw volk!’ maar ’t uiterlijke bedriegt zoo dikwijls, … ons volk is rechtzinnig, diep godsdienstig en dankbaar voor hen die het goed doen.
Dank zeggen we, eerst en vooral, aan onzen Eerwaarden Heer Pastoor die de Sint Annawijk zoo genegen is en voor zijn parochianen het hert van een vader heeft.
Dank aan al diegenen welke het houwen dezer school hebben mogelijk gemaakt, dank in ’t bijzonder aan de Eerwaarde Zusters Fransiscanessen die zoo lang reeds arbeiden aan het welzijn onzer lieve kinderen.

Als blijk onzer eerbiedige bewondering en groote dankbaarheid bidden wij Moeder Overste dezen ruiker te aanvaarden, en uit ganscher harte roepen wij : Eerwaarde Moeder, Eerwaarde Zusters, hartelijk welkom!

Daarna volgde een andere speech van dhr F. Kindermans, in naam van ’t Houten Dorp :

“Eerwaarde zusters,

Met groote vreugde vernamen wij de blijde tijding dat door U, te midden onzer werkersbevolking eene school en kindertuin gingen gebouwd worden.
Dagelijks hebben wij den vooruitgang van deess prachtig gebouw kunnen bijwonen waar onze lieve kinders met volle teugen de gezonde lucht zullen inademen, maar in ’t bijzonder waar zij zullen opgebracht worden in eer en deugd tot trots van vader en moeder.

Wij vertrouwen U onze duurbare kleinen toe, Eerwaarde Zusters, en zijn overtuigd dat ze onder Uw gezag zullen opgroeien tot deugdzame, verstandige en ontwikkelde telgen.
Laat mij toe, Eerwaarde Zusters, U een klein geschenk als bewijs onze groote vereering aan te bieden : aanvaardt dus deze beeltenis van het H. Hart, hetwelk eene eereplaats in deze school zal bekleden.
Wij wenschen U dus nogmaals van ganscher harte welkom en roepen uit : Leve de Zusters! Leve de Sint Annaschool !”

In naam van beide bewonersgroepen werden aan de zusters geschenken en bloemenkransen aangeboden, terwijl de kinderen een speciaal ‘St Annalied’ zongen.

Daarna was het de beurt aan Z.E.H. De Cock, pastoor van de St Jozefsparochie om ook zijn dankbaarheid en blijheid te laten blijken. Hij dankte ook Monseigneur Coppieters die eigenlijk aan de wieg van het idee van het oprichten van de school stond. Ook de burgemeester kreeg een dankwoord omdat hij zo voorziend was geweest, en ingezien had dat er wel degelijk een dringende nood was aan dergelijke inrichting.

De bouwmeester van het prachtwerk was Heer De Smet die er, samen met de Heeren Peynsaert, voor zorgde dat er op een heel toegewijde manier werd gewerkt aan dit initiatief.

De school boerde doorheen de jaren heel goed onder het alziend oog van de zusters. 
Menig Aalstenaar heeft toch wel goede herinneringen aan de periode, maar vooral aan de ‘latere’ tijden natuurlijk toen het allemaal toch al wat ordentelijker en gereglementeerder verliep.

Goede leerlingen werden beloond met een soort puntensysteem. Zo kregen ze bijvoorbeeld een stempeltje in hun schrift als er iets goeds werd gedaan. Een andere beloning was dat men even mocht schrijven in een andere kleur. 

… Fier dat men dan was … Een kinderhart was die tijd toch rap gevuld ... 
Dezelfde fierheid kenden we trouwens als we van de zuster of lerares de bordenwissers mochten gaan 'uitkloppen' op de speelplaats … Een eer om dat te mogen doen … 
Ook een eer trouwens om het bord af te mogen vegen na de les, zodat de volgende dag opnieuw met een propere ‘lei’ kon begonnen worden.

Babbelaars daarentegen zagen het allemaal niet zo positief in … zij werden gestraft met een lange tong of ezelsoren waarmee ze dan een paar uur op de speelplaats moesten gaan staan. De tong werd stevig vastgeplakt met een plakker en elastieken moesten de oren op de plaats houden.

Onder een trap was ook nog een ‘kot’ (waarschijnlijk een oud kolenkot) waar stoute kindjes even mochten gaan ‘afkoelen’ en ‘bezinnen’.
Bij andere ‘misdrijven’ varieerden de straffen van het op ‘de put’ gaan staan op de speelplaats tot een onzacht contact met de meetlat (toen nog een ‘regel’) op de handen.
Dat laatste uiteraard voor de linkshandigen, want schrijven met de linkerhand, dat was toen nog altijd iets wat ‘not done’ was.
Een iets zachtere methode om te leren rechts schrijven was dat men de linkerhand op de rug moest houden … als dat niet onmiddellijk lukte zonder hulp vond men altijd wel ergens een sjaal of touw om die ‘stoute’ hand aan de bank vast te binden.

Ook het vrijwilligerswerk was toen eerder naar de ‘Chinese kant’ want soms werden er 2 kinderen uit de klas gehaald om in het klooster de tapijten te gaan "stofzuigen". Ze moesten dan op hun knieën alle draadjes en kruimels oprapen.

De nonnetjes profiteerden natuurlijk want zij hadden de macht. 
Nu lijken veel van die maatregelen misschien op 'kwellingen' of zelfs 'kindermisbruik', maar uiteindelijk zijn de meesten er toch tamelijk 'ongeschonden' uitgekomen. Voor de meeste jongens werd alles jaren later trouwens nog eens grotendeels herhaald tijdens hun verplichte legerdienst.

Of die strengheid nu echt zo slecht of traumatiserend was ? 
Goh, op het moment zelf wel zeker, maar later bekeken had alles toch wel zowat zijn nut. 

Zo werd elke avond netjes opgeruimd en werd elke vrijdag een ‘grondiger’ kuismomentje ingelast.
Twee kinderen moesten dan nablijven en de klas uitvegen en dweilen.
De ‘clean desk policy’ zoals deze later in de bedrijfswereld zou worden ingevoerd 
... 
blijkt dus een uitvindsel te zijn van deze nonnetjes 😊

Alles, maar dan ook werkelijk alles, moest spik en span zijn.
Ook moest elk kind op het einde van het schooljaar een borstel en bruine zeep meebrengen. De lessenaars werden op de speelplaats gezet en de schrobbeurt kon beginnen … zonder morren natuurlijk …

Het was immers nog de tijd dat kinderen toch iets meer respect hadden (of eigenlijk ‘moesten hebben’) voor de lesgeefsters … en de ouders nog achter de lesgevende macht stonden.
Als ‘de kleine’ iets mispeuterd had, kreeg die sowieso nog eens de volle laag bij het thuiskomen ook.
Nu zou men al rap naar school stappen met zoon- of dochterlief, en de lera(a)r(es) gaan verwijten.

De meest gekende zuster was natuurlijk Elvire Vander Massen ... Zegt U niets ? 

Wel, ze was natuurlijk niet gekend onder haar 'wereldse' naam, maar wel onder de naam  'zuster Ansfrida'.
Wie als jongen de ‘kleutertijd van St Anna’ vernoemt, noemt ook heel vaak ook haar naam. De meisjes hadden het geluk niet om haar als ‘lerares’ gehad te hebben.
Ik herinner me (voor zover dat nog kan natuurlijk) als een heel gedreven en lief iemand. Als het goed was, was het goed, maar bij fouten kon ze je ook wel eens onder handen nemen.

Groot was mijn verwondering toen ik haar een 15-tal jaren na mijn schoolbezoek nog eens tegenkwam op straat en ze nog mijn naam kende … een geheugen om jaloers op te zijn ….
Na haar avontuur in Aalst is ze naar het klooster in Burst getrokken, net als trouwens ook zuster Flora en zuster Noella. In 1993 is ze overleden.


Een andere bekende was zuster Julia … 
We gaan hier nu niet over tot een roddelrubriek, maar van haar werd verteld (met tamelijk grote zekerheid) dat zij ‘aanpapte’ met onderpastoor Ghyselen

Hij was een heel gedreven godsdienstleraar die de ‘communie’ als één van de hoogtepunten uit het leven zag. Indien je tijdens zijn les dus niet in je bijbelboekje aan het lezen was, kon je dus wel een klets om je oren verwachten.
Het niet opvolgen van de bijbelse leer had trouwens een hele hoop dreigementen tot gevolg ...  Je zou je communie niet mogen doen, als je niet deed wat er werd gevraagd, en in die tijd was dat natuurlijk een dreigement dat kon tellen. 
De onderpastoor heeft later nog gediend in Onkerzele, en de laatste jaren was hij nog Pastoor in Serskamp.
Tegenwoordig (2020) heeft hij in juni nog zijn 92ste verjaardag gevierd, en hij is nog altijd bij de pinken.
Ook zuster Julia was ‘een toffe’

De zusters waren ook beleerd en welbespraakt in die tijd. Als ze iets te vertellen hadden wat de kinderoren niet mochten horen, gebeurde dat in het frans …
Welbespraakt, beleerd, gedreven, ... maar soms misschien ook een beetje naïef ? 

Enkele jaren na mijn vertrek (ik moet toen een jaar of 10 geweest zijn) kwam de brandweer ineens met groot materieel de straat ingereden.
Er was namelijk een wespennest ontdekt op de basketring van de speelplaats, en dat leidde tot groot alarm en grote belangstelling bij de inwoners van de buurt.

De brandweer begon met man en macht stoom te spuiten, en toen zuster Julia kwam vragen of ze ergens mee kon helpen, vroeg de ‘pompier’ van dienst dringend een handdoek en een groot glas jenever.
De zuster haastte zich om het gevraagde, in de stellige overtuiging dat men de wespen zou bedwelmen met de alcohol maar toen ze hijgend weer aankwam, wiste de brandweerman zijn zweet af met de handdoek, en kapte de jenever in één teug leeg ... de reactie van de omstaanders was op zijn minst hilarisch te noemen ... die van de zuster eerder 'verbouwereerd' ...
Zuster Julia is van Aalst naar het Sint Gudulaklooster getrokken en is in Vlinderhoutem overleden in 2018.

Na de kleuterschool was het voor de jongens verhuizen geblazen. Heel vroeger waren er in de Spaarzaamheidstraat nog een paar jongensklassen, maar die verhuisden uiteindelijk naar de Raffelgemstraat.
 
1980 De muur is verdwenen en maakte plaats voor een hek

De zusters maakten plaats voor leraars en leraressen ...
Tegenwoordig vinden we er nog VBS (Vrije Basisschool Sint Anna) terug, een afdeling van het Sint Maarteninstituut. In de Spaarzaamheidstraat vinden we de kleuters en de eerste graad terug, de 2e en 3e graad bevinden zich in de Raffelgemstraat.
In augustus 2017 werd de schoolomgeving veiliger gemaakt door het doorgaand verkeer niet meer langs de poort te laten gaan. 

In 1998 besliste de Vlaamse Gemeenschap om in het ondertussen verlaten klooster middelen vrij te maken voor de opvang van buitenlandse niet-begeleide minderjarigen.

Het kloostergebouw aan de Spaarzaamheidstraat 29 werd omgetoverd tot ‘’t thuis’, het eerste onthaal- en opvangcentrum voor buitenlandse niet-begeleide minderjarigen, dat in een eerste fase de gelegenheid bood om een 15-tal minderjarigen op te vangen.

''t Huis' staat open voor buitenlandse minderjarigen die niet vergezeld zijn door één van beide ouders of een wettelijke voogd en voor wie een aangepaste opvang aangewezen is. 
De opvang van niet-begeleide minderjarigen die  zich nog in de asielprocedure bevinden blijft de opdracht van de federale overheid. 
Minderjarigen die uitgeprocedeerd  zijn maar om een of andere reden niet terug kunnen gebracht worden naar hun land van herkomst kunnen ook opgevangen worden.

Het project wordt ondersteund door het departement ontwikkelingssamenwerking en geniet ook steun van het Impulsfonds voor het Migrantenbeleid.

We schrijven mei 2000 … Eén jaar ‘'t Huis’ voor kinderen zonder papieren. Een verjaardag die een beetje in stilte gevierd werd want vluchtelingen blijven voor de meesten nu eenmaal taboe in onze samenleving.
Nu zijn het kinderen, ok, maar wat als ze groot zijn?
De buurt stond - en laten we eerlijk zijn, staat - toch wat sceptisch tegenover 'die vreemdelingen'.

Enkele kinderen zijn intussen teruggekeerd ... maar de meesten willen blijven. 
Allemaal goed en wel ... maar wat als ze achttien worden en hun verblijfspapier vervalt? 

Een bezoekje aan het gebouw op een gewone zaterdagmiddag.
Het gebouw ligt er bijna verlaten bij. 
Een Ghanees meisje hangt loom op haar kamer, de muziek loeihard. 
In de living tokkelt een Russisch jongetje als een gek op de computer. 
De andere bewoners van t Huis zijn op stap in de stad of zijn gaan basketballen op het pleintje.

Als het van de bevoegde ministers afhangt, zouden ze die vrijheid niet hebben. 
De minister wil immers een gesloten centrum voor de kind-vluchtelingen waar ze verblijven tot er een oplossing is voor hun situatie. 
Alleen zo, redeneren ze, kan de overheid de jongeren beschermen tegen pooiers die aan de poorten van de centra rekruteren.
"De groep die écht moet worden beschermd, is echter zeer klein. En het grote risico zit niet bij de pooiers. Die maken voor onze deur af en toe inderdaad toertjes met de auto. Maar als de politie wat extra patrouilleert, haken ze snel af. Het risico zit bij de meisjes zelf die proberen terug te keren naar het milieu, maar daarom moet je hen geen maanden opsluiten. 
Nu gaan ze vaak in eerste instantie naar een gesloten jeugdinstelling, maar dan slechts voor een paar dagen. Daar kunnen ze sowieso geen contact zoeken met hun pooier. 
Als ze daarna naar hier komen, krijgen ze de eerste weken ook heel weinig ruimte om contact te zoeken met de buitenwereld. Als ze al naar buiten mogen, is het altijd onder begeleiding en de wandelingen blijven beperkt tot de buurt. 
Bekijk het als een test. We praten veel met hen om te weten of ze geen contact zoeken, en het werkt: sinds december (1999) hebben we geen weglopers". 

"De jongeren hebben a1 twee maanden nodig om tot rust te komen en samen met de begeleiders uit te maken wat ze willen. Dan nog twee maanden om de oplossing uit te werken. Pleeggezin, jeugdinstelling, begeleid zelfstandig wonen: het is allemaal zo eenvoudig niet".

Als ze in Aalst aankomen, willen vele jongeren ook gewoon terug naar huis. ,,Ze zijn diep ontgoocheld want ze hadden het zich hier allemaal anders voorgesteld. Die drang verdwijnt echter wel snel eens ze het hier gewoon geworden zijn. Vaak spoort hun familie hen aan om deze kans te grijpen.

In 2006 werd ''t Huis' omgedoopt tot 'Juna' (het 'Esperanto' voor 'jong'). 
Men ging uit van twee basisleefgroepen : 'primo' en 'secundo', en een werking om 16- en 17- jarigen klaar te stomen voor zelfstandig wonen.

In 2012 fusioneerden 'Juna' en 'Minor-Ndako'. Minor Ndako is erkend door de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de Integrale jeugdhulp. Deze vereniging werd in 2000 opgericht.
'Minor' staat voor 'minderjarige', 'ndako' is dan 'onderdak' of 'gezin'. Behalve de zorg voor minderjarigen hebben zij ook ook het geharmoniseerd samenleven van verschillende culturen als doel.

In 2014 werd er gestart met 'Minor Ndako Sport', en er kwamen een loopclub, een klimclub en een zaalvoetbalploeg voor de jongeren. 
Ook 'de tuin van De Serre', een project rond dagbesteding en herstelgericht werken, werd voor de eerste keer omgespit. 
In juni 2020 kwam de leefgroep trouwens ook in het nieuws door hun hulp bij het herschilderen van de 'Donkeysquare Hypecourt' op het Ezelspleintje.


Bronnen :

Het Nieuwsblad 13/7/2006
De Standaard 8/5/2000, interview van Isa Van Dorsselaer met Paul Nijs
dms.oost-vlaanderen
vrijwilligerswerk.be/organisaties-van-a-tot-z/minor-ndako
data-onderwijs.vlaanderen.be
De Volksstem 26/8/1930
Foto klooster 1980 via MadeInAalst 
Foto inhuldiging H.Hartbeeld via MadeInAalst
Foto 2 inhuldiging H. Hartbeeld via MadeInAalst
Foto speelplaats 1980 via MadeInAalst

maandag 8 juni 2020

Jos Ghysens (+ 2020)


Het is allemaal misschien wat in stilte gepasseerd omwille van corona en racisme in het nieuws, maar onlangs overleed Jos Ghysens, één van de mensen die ons Aalst leerde kennen vanuit de geschiedenis. Wie boeken bezit over Aalst, of eens naar de bibliotheek gaat en de kaften bekijkt, zal met heel veel waarschijnlijkheid ook wel al één of meerdere uitgaves van deze man tegenkomen.

Jos Ghysens (niet te verwarren met de ondertussen ook overleden programmamaker Jos Ghysen!) was een Aalsters amateur-historicus / geschiedschrijver en publiceerde een oneindig lijkend aantal boeken over of in verband met de geschiedenis van de stad Aalst. Jos is afkomstig uit Erembodegem waar hij op 23 november 1929 het levenslicht zag.

Hij is afkomstig van de wijk Ronsevaal en volgde er de plaatselijke gemeenteschool. Daarna ging hij naar het Sint Jozefscollege van Aalst. Van Aalst geraakte hij in Brussel en volgde de moderne humaniora en de handelsafdeling in 'Saint Louis'. 

We mogen hem eigenlijk gerust de ‘moderne Petrus Van Nuffel’ noemen, gezien hij naast deze kroniekschrijver zeker één van de productiefste individuele onderzoekers van de stad was.
Heel zijn leven lang maakte hij werk van de geschiedenis van Aalst.

Reeds als kind zat de geschiedenis er 'ingebakken'. Hij snuffelde steeds naar oude stukken en herinneringen in zijn kennissen- en familiekring. 
Gezien hij school gelopen had in Aalst, en daarenboven nog een echt 'Oilsjtenesken' huwde, kreeg hij steeds meer en meer contact met de kermissen, processies, carnaval, de brandweer, enzovoort. 
Door het uitpluizen van verschillende boeken en kranten maakte hij ook kennis met oude plannen en groeide de kennis van de streek zienderogen.
Wat hij las, wou hij ook steeds bevestigd zien, en dus stak hij vaak zijn licht op bij de archieven.
Zijn interesse en speurwerk bleven niet onopgemerkt, en op zeker ogenblik daagde een 'Hollands' uitgever op om 'Aalst in oude prentkaarten' klaar te maken. Bij de eeuwwisseling waren deze prentkaarten een echte rage, en die rage flakkerde opnieuw op in de jaren '60. Ook Jos beschikte over een imposante verzameling met enkele hele waardevolle stuks. 

Zijn levenswerk begon dus eigenlijk in 1971 toen ‘Aalst in oude prentkaarten’ werd uitgebracht.


Dit boekje toonde een mooie selectie van oude postkaarten uit Aalst die werden gedrukt tussen 1898 en 1914 en schetste dus een interessant beeld van hoe onze stadsgenoten in die tijd leefden. Aan de hand van de getoonde kledij, de toestand van de straten, de beelden van transport en handel, van spelende kinderen, … konden de jongeren dus kennis maken met de tijd van ‘metjen en petjen’ en konden de ouderen herinneringen ophalen van hoe het toen was.

Het succes was enorm en reeds het jaar daarop verschenen zowel 'Erembodegem ...' en 'De Faluintjes in oude prentkaarten'. 

Nog in 1972 komt 'Aalst tussen beide wereldoorlogen' uit en in 1973 verscheen het boek “Aalst 1940-1945. Een stad onder Duitse Bezetting”.

Gezien deze uitgave sterk gebonden was aan een bepaald aantal pagina’s en er zoveel te vertellen was over deze donkere periode ontstond natuurlijk ook de lichte druk om aanvullende publicaties te blijven leveren. Iets wat hij samen met Jacques De Vos dan ook heel graag deed.
De serie werd werkelijk een fenomenaal werk. Echt álles wat in Aalst tijdens die beruchte eerste meidagen is gebeurd heeft hij nauwkeurig opgetekend en beschreven.


Historiegetrouw en heel nuchter bespreekt hij de situatie vanaf 10 mei, de dag van de Duitse inval, alsof je er zelf bij was. Het werd een realistisch maar toch sereen gehouden werk waarin hij de relatie tussen de geschiedenis en de moderne gemeenschappen wil onderzoeken. 

Heel pittig schrijft hij over het Duitse artillerievuur en het bombardement op de stad, over de vlucht van de inwoners, de angst en de obsessie voor parachutes, over de vijfde kolonne, de vlucht van de weerbare mannen naar Frankrijk, de Britse achterhoedegevechten van 18 mei, over de plunderingen in de stad door zowel burgers als militairen, de bezetting der stad door de Duitsers op 19 mei, de doortocht van Koning Leopold I naar gevangenschap te Laken op 30 mei, de bevoorrading van de stad, de krijgsgevangenen en de slachtoffers, over het Rode-Kruis, de vrijwillige arbeiders naar Duitsland, de arbeidsdienst en ga zo maar voort.

Al deze beschrijvingen werden voor de vele Aalstenaars die de donkere meidagen 1940 zelf beleefd hadden, visueel trouwens nog intenser gemaakt door de reeks aangrijpende foto’s die de teksten vergezelden.
Waar het boek voor de ouderen dus vooral een herinnering was, was het voor de jongere generatie eigenlijk een soort van waarschuwing om het nooit meer zo ver te laten komen.

In 1974 verscheen het boekje 'kent U ze nog, de Aalstenaars?'
Het werd een soort van familiealbum van de Aalsterse bevolking tussen de jaren 1880 en 170. 
Het boekje bevatte 79 foto's en bijpassende teksten die de levenswijze van alle klassen van de bevolking van het het 'stadje aan de Dender', zoals hij zelf onze stad omschreef, illustreerden. 
Veel stadsgenoten verleenden hun medewerking. Natuurlijk ook de ouderen die de eeuwwisseling zelf meegemaakt hadden en konden berichten over de tijd zonder radio of TV, zonder gas of elektriciteit, zonder stemrecht, acht urenwerkdag, kinderarbeid enzovoort.
De foto's toonden een lerarenkorps, jezuïeten, stadsgenoten op een vrolijke picknick, toneelliefhebbers, historische stoeten, ... en waren opnieuw een schat voor de geschiedenisliefhebbers.

Jos werd stichter en secretaris van ‘het Genootschap voor Aalsterse Geschiedenis’ waar veel gelijkgestemden actief waren en hun ervaringen en vondsten konden delen. Het werd een platform voor de liefhebbers van de geschiedenis van onze stad en mocht van in het begin reeds op heel veel bijval rekenen. Het genootschap ontstond in 1976 wanneer initiatiefnemer Jos samen met bestuursleden Hendrik Strypens (voorzitter) en Guido Saey (penningmeester) hun activiteiten opstarten. Het genootschap was financieel volledig onafhankelijk en stond open voor alle jonge Aalsterse historici. Enkele van hun initiatieven waren het herdrukken van de werken van Petrus Van Nuffel, de folkloristische kalender van Groot Aalst, en het opmaken van het grootste standaardwerk in wording over de geschiedenis van Groot Aalst met daarin een inventarisatie van de straten en gebouwen. Dat zou een werk in tien delen worden. 

De genootschap werd een groot succes en de immer bescheiden Jos werd daarop gekozen tot ‘verdienstelijkste Aalstenaar van 1978’

Stefaan Vinck, de grondlegger van het Documentatiecentrum Aalst Karnaval (DAK) wou in de zomer van 1984 het boek 'Aalst Karnaval' van Jos Ghysens en Karel Baert opnieuw laten drukken wegens het groot historisch belang en de schat aan informatie over het karnaval. 

Daarenboven bleek het boek één van de traditionele hulpmiddelen te zijn bij de karnavalskwis.
Het was echter uitverkocht en nergens meer te vinden.
Een herdruk bleek niet mogelijk te zijn maar men bleef wel dromen van een informatief documentatiecentrum voor Aalst carnaval, temeer omdat Simon D'Hondt van de prinsencaemere tijdens een kwistornooi had aangekondigd dat het werk opnieuw op de markt zou komen.
Er moest dus wel iets gebeuren. 

In 1985 werd dan, samen met Antoine Van der Heyden en Cyriel Temmerman, DAK opgericht. Deze mensen verzamelen een schat aan foto's tijdens de carnavalsstoeten en maken zich sterk dat men op die manier de geschiedenis van het carnaval niet meer zou laten verloren gaan. Zeg nu zelf, de beste herinneringen zitten toch steeds vervat in een foto of een dia nietwaar?
Het boek zelf kwam tot stand na een ideetje in 1974. Het was Frans Wauters die op een mooie zomerdag in 1974 met het idee kwam opdraven om een Aalsters carnavalsboek uit te geven. 
Karel Baert, Jos Ghysens en Fons Singelijn waren allemaal 'mee' en zagen het zeker zitten om zo iets moois te verwezenlijken. 
Ze kregen meteen de nodige steun van burgemeester De Bisschop, de stadssecretaris, het carnavalsverbond en een massa aan documentatie werd ter beschikking gesteld.
Midden december 1985 was het dan zo ver. De uitgave van  het eerste 'DAK-carnavalsboek'.

Vooral zijn actie tot behoud van de straatnamen in Groot-Aalst was de ‘trigger’ om hem de eer toe te kennen van 'verdienstelijkst Aalstenaar '78'. Eén van zijn bekendste boeken werd in de nasleep van dit feit dan ook ‘de geschiedenis der straten van Aalst’ (1987), waar hij trouwens ook meteen het Aalsterse dialect een ereplaatsje gaf.


Het werd een zeer lijvig boek, meer dan 450 bladzijden, gebonden in linnenband en beschermd door een stofwikkel. De meer dan 500 foto's die het geheel illustreerden waren voor velen een geheugensteuntje bij de teksten.
Heel veel werd besproken : stadswijken, buurten, buurtwegen, verkeerswegen (netjes onderverdeeld in spoor, water en land), monumenten, gebouwen, stadspompen, telefoon, en ga zo maar door.
Dat Jos zich goed geïnformeerd had alvorens dit boek te schrijven, is duidelijk merkbaar aan de appendix met bronnen en bibliografie, het register en maar liefst 2090 voetnoten.
Eigenlijk mag men dit werk gerust beschouwen als een eigentijdse encyclopedie, een historisch woordenboek en tevens het enige volledige inventaris van de Aalsterse straten.

Wat Jos vooral typeerde waren zijn korte zinnen met steeds goedgekozen woorden en woordspelingen. Zijn taalpalet bleek onuitputtelijk. 

In 1991 verscheen ‘Aalst op zen Oilsjters’ dat hij samen met Frans Wauters, ook al zo’n woordkunstenaar, schreef. Het werd een boek over de diepere ondergrond van de gedragingen van de Aalsterse 'man uit de straat' in de loop der tijden.
Het boek handelt over de alledaagse wereld van de middelgrote stad in Vlaanderen, ergens aan de grens met Brabant. Het werd een afschildering van de mens en de volkstaal met platte gezegden en gewaagde uitdrukkingen. De behandelde periode is 1890-1990.
Jos benadrukt dat dit geen 'Oilsjters diksoneir' is maar dat het dialect wel de leidraad vormt in zijn werk. 
Het werd geen 'braaf' boek. Op sommige momenten werd het zelfs bijzonder 'cru', maar dat kan ook niet anders als je over 'Aalstenaars' schrijft, merkte Frans Wauters fijntjes op.
Het boek behandelt de Aalstenaar, zijn taal, uiterlijk, karakter, kledij en voeding, puberteit, vrijen, perversiteiten, bordelen, volksdevotie, feesten en spelen, plagen en dood.
Ook ging er aandacht naar spot- en bijnamen en een Aalsters vocabularium en gezegden sloten het geheel netjes af.

In 1996 volgde ‘De Aalsterse brandweer’, waarin hij de geschiedenis van het huidige brandweerkorps uit de boeken doet.


Ook ‘Aalst in Vlaanderen’ is van zijn hand. Hij kreeg hiervoor de hulp van Guido Saey en Freddy Caudron. Het eerste deel verscheen in 2015 en behandelde de periode van circa 800 tot 1700.
Het tweede deel besprak de geschiedenis van 1700 tot ongeveer 1909.

Honderden illustraties gaven de boeken een speciaal ‘cachet’ en werkelijk alle mogelijke onderwerpen werden besproken. De regeringen, de heerlijkheden, de middeleeuwse stad, voeding, verzorging, school, parochie, kloosters, molens, feesten, folklore, land- en tuinbouw, … alles passeerde de revue.
Ook een wandeling met zes gedichten van Aleidis Dierick over de schoonheid van de stad zit vervat in het boek.

In zijn in 2002 verschenen boek 'Aalst de jaren 1920-'40' schetst hij in maar liefst twintig hoofdstukken de geschiedenis van de vooroorlogse samenleving van onze Vlaamse provinciestad.

In het boek krijgen lokale organisaties en verenigingen alle aandacht en worden ook de belangrijkste economische ontwikkelingen van die jaren belicht.
Het ongenoegen, de angst en de opstandigheid hangen dan ook bijna constant in de lucht. De economische crisis en de werkloosheid, de sociale onrust en het straatgeweld typeerden dan ook deze periode, en het boek is dan ook eigenlijk ontstaan uit een verlangen om een fantastisch, begrenzende tijd te laten herleven.


De jaren ’30 waren zijn eigen kinderjaren en hij brengt als het ware een gemeenschap in herinnering die met het uitbreken van de oorlog voorgoed verloren ging. De periode tussen de twee oorlogen was een onontgonnen veld. Er waren weinig betrouwbare bronnen te vinden wegens de vaak heersende censuur. De toenmalige krantenberichten bleken de beste bron te zijn, maar directe bronnen ontbraken vaak.
Ook de kranten berichtten vaak ‘van horen zeggen’ en waren daarom niet altijd betrouwbaar.
Facebook, Instagram en Twitter ..., daar was natuurlijk nog helemaal geen sprake van …

Dat is dan meteen ook de reden waarom de ene fase rijker gestoffeerd dan de andere, de auteur moest immers rekening houden met de beperktheid van het informatiemateriaal.

Het boek eindigt wanneer de oorlog begint. De vier jaren die daarop volgen werden al in de eerder geschreven oorlogskronieken vastgelegd.
Aalst de jaren 1920-'40' was het 31ste boek van Jos.

Dat Jos bezeten was door de geschiedenis van ‘zijn’ (en ‘onze’) stad mag een understatement zijn.
Zijn medewerking aan talrijke publicaties en tentoonstellingen bewijzen dat uitvoerig.

“Als je al zo lang met geschiedenis bezig bent, vereenvoudigt dit het opzoekingswerk. Het is gemakkelijker om dingen te kunnen plaatsen in de juiste context en ook linken leggen tussen verschillende gebeurtenissen wordt veel gemakkelijker” waren enkele gevleugelde woorden van hem.

Het is reeds gezegd, Jos laat ons een schat aan informatieve boeken na ... Een opsomming is onbegonnen werk, want steeds duikt er toch nog iets op wat 'verloren' leek te zijn.
Hierbij enkele van zijn meesterwerken : 

- Aalst, 1830
- Aalst, zomer 1940
- Aalst, 1940-44, een stad onder Duitse bezetting. Een boek waaruit mag blijken dat, oorlog of geen oorlog, het leven gaat toch steeds door. Niet enkel een boek over de oorlogsgruwelen dus, maar ook met andere tijdsdocumenten dewelke het dagelijkse leven beschreven.
- Heiligenverering te Aalst
- Herbergen en verenigingen te Aalst
- Industrie, handel en merknamen Aalst 1840-1940
- Het Aalsterse volksleven - Deze uitgave bestond uit 3 delen : 
    - het Markt en straatlied 1860-1950. 
    - De hedendaagse liedjeszangers 1950-1980
    - Het Aalsters verenigingsleven 1860-1980...
De drie delen samen omvatten een indrukwekkend aantal liedjesteksten, roepen van marktkramers, aftelrijmpjes en schetst de wereld van de marktzangers en hun wereld. 
In dit opnieuw historisch waardevolle boek, beschrijft Jos het Aalsterse volksleven via liedjesteksten en verhalen over het wel en wee van onze provinciestad. Het Aalsterse volksleven volledig omschrijven is quasi onmogelijk, daarvoor is onze cultuur veel te rijk. Het boek bevat dus een deel, maar wel een boeiend deel, van het cultuurleven in de 19e-20e eeuw.

Jos werd ook een belangrijke bron bij de opzoekingen van Jan Louies, ook al een echte 'Aalst-kenner' en auteur van onder andere de 'Oilsjtersen Diksjoneir'. Met zijn naslagwerken, en met tal van persoonlijke tips zette Jos Jan op weg om een boek te schrijven over de wijk 'de Kat' ...

Jos Ghysens, de man die van zijn hobby zijn levenswerk kon maken, ondertussen weduwnaar van Marie-Thérèse Baten, is op 90-jarige leeftijd overleden op 26 mei in het WZC De Mouterij.
Zijn uitvaart was op 30 mei 2020 in familiekring in de Sint-Martinuskerk.


Bronnen :

dbnl.org
deslegte.com
De Voorpost 2/1/1974 - 15/11-1974 - 21/11/1975 - 3/12/1976 - 10/3/1978 - 22/9/1978
De Voorpost 6/12/1991 - 18/12/1992
Het Nieuwsblad 19/11/2002
Vies Oilsjt 1/9/1978
Arijs begrafenissen
kerknet.be
Voor Allen - 12/01/1979
Visit magazine : stad in beweging 22/6/2015

zondag 7 juni 2020

Rugbyclub RC Aalst

Het moest er ooit eens van komen ...

Nadat Aalst Dendermonde al jarenlang aftroeft met de jaarlijkse rondgang van het fiere ros Balatum (in Dendermonde de 10 jaarlijkse ommegang van den ezel / ros Beiaard) gaan we ook op sportief vlak eens proberen om onze lieve buren te overtreffen.

België heeft niet meteen de reputatie om een rugbyminnend land te zijn, wij houden meer van wielrennen en voetbal, en toch heeft onze buurgemeente reeds jarenlang een niet slecht boerende rugbyclub (om heel eerlijk te zijn, ze staan zelfs aan de top)… terwijl Aalst op dat gebied eigenlijk niets te bieden heeft  


Laat ons vaststellen dat de bekendste rugbyspeler die ooit in onze keizerlijke stee vertoefde eigenlijk de Franse speler Anton Iriart van XV Cors uit Bosvoorde was die in 2015 … in het ASZ terechtkwam na een hartinfarct tijdens een wedstrijd … in Dendermonde.

De hoogste tijd dus om voor wat gezonde concurrentie en tegenstand te zorgen dachten Eline Claes, Peter Marquebreuck en Maxim Pauwels, de drie oprichters van rugbyclub ‘RC Aalst’.

Ze vroegen zich af of het mogelijk zou zijn om in ons Oilsjt te starten met een club die zich zowel sociaal als respectvol zou kunnen profileren in de beleving van de rugbysport.

De ambitie bestond dus al langer, en vooral toen bleek dat er in Oost-Vlaanderen zeker nog plaats vrij was voor enthousiastelingen was men definitief vertrokken.

De club zag eigenlijk al het levenslicht in januari 2020, maar door de heersende coronacrisis en het feit dat ook de rugbyspelers niet meer uit hun kot mochten komen om te trainen, werd de openbaring uitgesteld tot in juni. 
Van zodra de veiligheidsraad bekend maakte dat trainingen in open lucht opnieuw zouden kunnen, stonden de enthousiastelingen al te trappelen van ongeduld om er eindelijk ‘écht’ aan te kunnen beginnen.

Met de steun van de stad Aalst en SportAG is het voor de club mogelijk om te trainen op de terreinen van het Beukenhof en het Osbroek.

Eline, de gloednieuwe voorzitter, komt overgewaaid van de rugbyclub van Gent.
Ze was er trainer en gedurende twee jaar was ze er ook voorzitter, trouwens één van de eerste vrouwelijke voorzitters van België. Zelf heeft ze ook gespeeld, maar omwille van een hardnekkige blessure zal haar taak vooral bestaan uit de dagelijkse leiding van de club.

Peter, die de taak van secretaris op zich neemt, daarentegen heeft helemaal geen verleden in de rugbywereld.
Hij vindt de sfeer het belangrijkste en kijkt er naar uit om deze sportieve uitdaging mee te helpen aangaan.
Hij is ‘zware supporter’ van het team van Zuid-Afrika, de huidige wereldkampioen en probeerde in eerste instantie in Erpe-Mere, zijn woonplaats, al een club op te richten. Het werd echter Aalst …

Maxim, de penningmeester, stond in 2007 aan de wieg van de rugbyploeg van het Sint Jozefscollege en is het spelletje altijd blijven meespelen.
Aan de Univ van Gent was hij dan ook lang speler en trainer van de universiteitsploeg. Sedert 2019 is hij terug actief als speler bij RC Meetjesland maar gezien het zijn droom als Aalstenaar was (hij is van Meldert) om een club in eigen stad te hebben, zette hij ook heel graag zij schouders onder dit project.

Starten doen ze in de regionale competitie, maar de ambities liggen hoger.
Binnen dit en een vijftal jaren zouden ze willen promoveren naar de nationale competitie, liefst dan nog met zowel een vrouwen- als een mannenploeg.  Ook een degelijke jeugdwerking staat op het programma, en als het even kan zou men ook een Mixar-ploeg willen afvaardigen naar het tornooi van Cork in Ierland. Dat laatste zou zelfs al in de agenda van 2021 gemarkeerd staan.

Mixar staat voor ‘MIXed Ability Rugby’ en is een ploeg bestaande uit zowel spelers met als zonder beperking.

Sedert 29 maart 2020 is de club ‘on air’ via Facebook en sedert 4 mei beschikken ze ook over een logo. Het was Johannes Mortier die het goede nieuws kreeg dat zijn ontwerp gekozen werd. We zien duidelijk de rugbypalen en een rugbybal (die eigenlijk ook wel een beetje doet denken aan een ajuintje, niet?)

Het bijpassende motto?    ‘Graalek Oilsjterse Rugby’ …

Op 2 juni werd ook Instagram toegevoegd aan de contactgegevens.

Hoewel rugby een echte contactsport is, zal het tijdens de eerste trainingen vooral over de tactiek gaan. Contact zit er door de corona immers nog niet echt in, maar er zijn wel veel spelsituaties die men perfect kan simuleren. Tackelen bijvoorbeeld zou kunnen geoefend worden op ‘tackle bags’, die na elk contact uiteraard telkens opnieuw zullen ontsmet worden.

De eerste initiatietrainingen vonden plaats op 10 en 12 juni.

Op 27/9/2020 volgde een persbericht van de club : Rugbyclub Aalst gaat entente aan met Lokeren

Met voorlopig 22 aangesloten leden heeft Rugbyclub Aalst alvast een vliegende start genomen ondanks de coronacrisis. Om geïnteresseerde leden ook de nodige matchervaring te laten opdoen, hebben de bestuursleden van RC Aalst en RC Lokeren besloten om de krachten te bundelen.

Lokeren en Aalst waren op rugbyvlak al even on speaking terms, het waren de leden van Aalst die vrijdag op een ledenoverleg de keuze kregen om deze samenwerking op te starten.   RC Aalst zal twee keer per week eigen trainingen blijven organiseren met coach Samuel Drai, maar er zullen ook gemeenschappelijke trainingen komen om op elkaar ingespeeld te raken. De clubs en hun coaches maken hierover afspraken. De spelers blijven ook aangesloten bij de eigen club.

“De bedoeling is om onze spelers ook te laten proeven van een echte wedstrijd. Wie minuten wil pakken en de fysiek testen tegen een echte tegenstander, heeft hiervoor nu de mogelijkheid” aldus RCA-voorzitter Eline Claes.

Aalst en Lokeren zullen in entente competitie spelen, wat maakt dat de thuiswedstrijden zullen doorgaan in Lokeren.  RC Aalst is nog steeds met de stad aan het zoeken naar een geschikt rugbyveld.

De entente kreeg zelfs al een culinaire insteek: Lokerse paardenworst met ajuin klinkt niet slecht.

Eline ziet het als een volgende stap in de ontwikkeling van de club: “we blijven groeien en zullen op termijn zeker met een eigen seniorenteam aantreden. De samenwerking met Lokeren is een goed voorbeeld van streekgenoten die elkaar omhoog duwen. We kijken alvast enorm uit naar de samenwerking.”

Aalst-Lokeren werd ingedeeld in de poule regionale 2 – Oost met clubs als Celtic 3, Vorst, Tongeren en Heusden-Zolder.


Rugby wordt in 121 landen gespeeld door 8,5 miljoen spelers waarvan 2,2 miljoen vrouwen. Het WK rugby is na het WK voetbal en de Olympische Spelen zelfs het 3de grootste sportevenement ter wereld!

De Belgische Rugby Bond (Frans: Fédération Belge de Rugby) wordt afgekort met FBRB en is de Belgische sportbond die verantwoordelijk is voor het organiseren en ontwikkelen van rugby in België. 


De federatie werd opgericht 24 november 1931, was één van de oprichters van de FIRA - Association Européenne de Rugby op 2 januari 1934, en is daarmee dan ook meteen één van de oudste Europese federaties. 
De bond werd opgericht op initiatief van de Rugby Club Français, die in 1910 was opgericht door Jean Rey, een toekomstig eerste trainer van het nationale team. 
Het waren wel de Britten van de British Sport Club uit Antwerpen, opgericht in 1919 en Brussel (1925), die rugby hadden verspreid in België. De eerste raad van bestuur werd gehouden op 20 januari 1932.

De eerste wedstrijd van het nationale ploeg werd georganiseerd 13 maart 1932 en eindigde in een gelijkspel in Nederland, 6-6. Vanaf 1932 speelden ze een jaarlijkse wedstrijd tegen Nederland. 

Ook na de Tweede Wereldoorlog speelde België vooral tegen Nederland. De meeste van deze wedstrijden wonnen ze. 

In de jaren 60 ging België steeds meer tegen andere landen spelen, zoals bijvoorbeeld tegen Spanje. Deze nieuwe tegenstanders bleken echter een maatje te groot voor België en dus kreeg de sport nog niet echt de aandacht die bijvoorbeeld het voetbal toen wel had. 

Vanaf de jaren '80 gingen we echter veel meer wedstrijden spelen en ook tegen steeds meer verschillende tegenstanders uit Europa. 
Het spelritme steeg zienderogen en sedert de eeuwwisseling slaagden de Belgen er dan ook in om gestaag te klimmen op de wereldranglijst. 



Tegenwoordig komt België uit in de hoogste klasse van het Rugby Europe International Championships. Dit is de hoogste Europese klasse onder het gesloten Zeslandentoernooi.

Eén van de bekendste spelers van het Belgische rugbyteam was wel Jacques Rogge, de latere voorzitter van het IOC.

De bond staat in voor de nationale ploegen en de nationale competities, de provinciale competities en de organisatie van districten, clubs, managers, spelers, trainers, onderwijzers en ambtenaren in de rugbysport. 
De FBRB heeft twee regionale takken, namelijk de VRB (Rugby Vlaanderen) in Vlaanderen en de ligue francophone belge de rugby (LBFR) in Franstalig België.

Rugby Vlaanderen ondersteunt logischerwijs in Vlaanderen de clubs die vormgeven aan de groei van de sport. De organisatie voorziet in opleidingen tot scheidsrechter, trainer en een grote focus op jeugdwerking. Voor clubs zijn zij een enorme steun, zowel voor administratieve en materiële steun.

Of men in Aalst al aan het denken is aan de nationale ploeg, dat is niet meteen duidelijk, maar dat men in de nieuwe club niet vies is van enkele straffe statements valt af te leiden uit hun Facebookposts en info op het internet.

“Rugby is a hooligan’s game played by gentlemen, in Oilsjt zentj Ajoinen”

en op 17 mei ter gelegenheid van de internationale dag tegen holibi-en transfobie: 

Bronnen :

HLN 04/06/2020
rcaalst.be
FacebookPagina Rugbyclub Aalst 27/9/2020
Het Nieuwsblad 8/6/2015
sportkipik.be
rugby.vlaanderen/team/sint-jozefscollege-aalst/