Nieuws uit Aalst

--------- 't Principoilsjte vandaug es da ge ni te veil complementen mokt en genietj van 't leiven ! - - - - - - - Covid-19 : Blijf aub toch voorzichtig en denk aan uw medemens !! - - - - - - - Deel enkel berichten van officiële bronnen om fake news te vermijden !!! - - - - - - - -
Posts tonen met het label kerken/kapellen/kloosters. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kerken/kapellen/kloosters. Alle posts tonen

woensdag 4 oktober 2023

Sint Jozefkerk

De skyline van Aalst wordt nog steeds grotendeels gedomineerd door de 80 meter hoge kerktoren van de Sint Jozefkerk., die sinds 1997 als geheel een beschermd monument is. 


Deze kerk is vooral bekend om zijn orgel, dat door de gebroeders Vereecken en Remi Rooms werd gebouwd in 1990, maar tegenwoordig is de kerk ook berucht omwille van de discussies die er gevoerd werden omtrent de restauratiewerken.

De Sint Jozefkerk, tot vorig jaar eigendom van de kerkfabriek van St Martinus, is een zogenaamde niet-georiënteerde kruisboogkerk. 
De bouw ervan werd aangevraagd door de bevolking en het gebouw werd al snel "de nieuwe kerk" genoemd, in tegenstelling tot de Sint Martinuskerk die steevast "d’aa keirk - de oude kerk" genoemd werd (en wordt). 

Eeuwenlang was er in onze stad maar één parochie, met als godsdienstig centrum de monumentale Sint-Martinuskerk. 
Het ontstaan van de nieuwe parochie Sint-Jozef bleek een dringende noodzaak door de sterke aangroei van de bevolking.  
In 1801 telde de stad 10.927 inwoners en in 1871 was dit aantal al opgeklommen tot 21.305. 

Door deze bevolkingsexplosie bleek de parochie Sint-Martinus niet langer in staat te zijn om de zielzorg voor de ganse stad waar te nemen, er moest dus een tweede parochie tot stand komen.

Het was E.H. Veyt, onderpastoor op de Sint-Martinusparochie, die door de bisschop met deze taak belast werd.  


De eerste fondsen werden in 1862-63 ingezameld en op 23 augustus 1863 kocht hij de hofstede de Plavander voor het bouwen van een nieuwe kerk, die zou toegewijd worden aan de Heilige Jozef.  

Vier jaar later, op 3 augustus 1867, werd door Mgr. Bracq, bisschop van Gent, een commissie aangesteld die tot opdracht had te zorgen voor het plan, de gelden en de uitvoering van de bouwwerken van de nieuwe kerk.  Er was toen nog geen sprake van een echt kerkbestuur, en de commissie van notabelen (onder leiding van Kapelaan Veyt) werd verzocht het bouwplan uit te voeren en financiële hulp te vinden.

De graafwerken begonnen, zonder vergunning en zonder toelating echter voor een nieuwe parochie, op 2 maart 1868.  Het metselwerk en de fundering nam een aanvang op 4 juni 1868.  Op zondag 15 oktober van dat jaar plaatste Monseigneur Brack de hoeksteen en zegende de grondvesten.

De werken werden uitgevoerd tot een hoogte van 6,8 meter boven de grond, met uitzondering van de sacristieën en de bergplaats, maar dienden toen wegens geldgebrek stilgelegd te worden.  

Monseigneur Bracq vroeg en verkreeg uiteindelijk van de regering de toelating tot het stichten van een nieuwe parochie, die bij Koninklijk Besluit van 22 april 1873 aanvaard werd, zodat ze van dan af aan konden gebruik maken van overheidssteun en zonder problemen zouden kunnen verderbouwen. 

Onmiddellijk daarna werd een kerkraad samengesteld, met burgemeester Van Wambeke als voorzitter en E.H. Veyt als pastoor.

Na zijn aanstelling schonk de voormalige kapelaan van de St Martinuskerk de grond en het nog onafgewerkte gebouw aan de kerkfabriek. 
In 1878, de werken lagen nog steeds stil, werd het achterste gedeelte van de kerk volledig overdekt en afgesloten van het voorste gedeelte.  Dit gedeelte werd toen opengesteld voor de eredienst.  De nieuwe parochie telde toen 522 inwoners

In 1877, voordat begonnen werd met de volledige bouw van de kerk, werd bouwmeester Modest De Noyette van Ledeberg aangesteld om de plannen te wijzigen.  
De Koninklijke Commissie van Monumenten liet een wijziging aan het oorspronkelijk plan toe, waardoor nu staatstoelagen tot 75000 frank konden verkregen worden. 

De werken werden in 1879 onder leiding van deze architect weer hervat. Hij had de kosten intussen geraamd op 92038 frank. 

Het schip en de twee zijbeuken kwamen het eerst aan de beurt.  Het zou echter nog vijf jaar duren vooraleer de drie beuken en de toren tot aan het dak konden opgetrokken worden.  

1882 Was ook het jaar van de klokken en de kruisweg. Bovenop het platte dak van de half afgewerkte toren was een klokkenhuis gebouwd waarin de drie klokken meer dan 25 jaar hingen.  

Op 15 oktober 1882 werd het voorste gedeelte van de kerk ingewijd. 

In de namiddag werd stoetsgewijs de nieuwe kruisweg vanuit het gesticht van de Broeders van Maria in de Lange Ridderstraat naar de kerk overgebracht. Deze kruisweg (geschilderd door Jozef Meganck) was een geschenk van het echtpaar Desiré Brissard - Temmerman. 

In januari 1883 werd een kleine vierde klok bij gehangen.  

De vier klokken werden op 1 juli 1943 door de Duitsers weggehaald en konden niet meer teruggevonden worden.  

In 1952 werden drie nieuwe klokken gegoten die tijdens een plechtigheid door Mgr. Calewaert, op 21 december gewijd werden: 

- O.-L.-Vrouwklok (2.093 kg), 
- De Sint-Jozefklok (1.070 kg) en de 
- H. Antonis klok.

We keren echter eventjes terug naar 1883, waar op Pinksteren de eerste H. Mis opgedragen aan het nieuwe hoofdaltaar, het huidige altaar van St.-Antonius, werd opgedragen.  
In datzelfde jaar werden trouwens de twee zijaltaren, die van het H. Hart en van O.-L.-Vrouw, voor een spotprijsje, aangeschaft.  Ze waren origineel geplaatst in de kathedraal van St.-Baafs te Gent, maar werden daar door de Commissie van Monumenten afgekeurd.
‘Afdankertjes’ dus voor onze Sint-Jozefkerk.

Na pastoor Veyt werden onder zijn opvolger, E.H. Willems, de werken verdergezet.
De kruisvleugel, het drievoudig koor en de sacristie werden in 1890 voltooid en de plechtige inwijding door Mgr. Stillemans gebeurde op 21 september 1891. 

Hierna werd opnieuw een pauze ingelast, en het zou nog tien jaar duren vooraleer de bouw werd voortgezet. 

Op 15 april 1901 werden door drie Aalsterse ondernemers, J. De Somer, Frans Peynsaert en Leon De Vos, de werken opnieuw aangevat zodat ook de voorgevel en de toren, die er tot dan een beetje ‘verkapt’ en buiten proporties bijstond, in juni 1908 eindelijk konden worden afgewerkt. 


Die onafgewerkte toren had in 1904 in de Dendergalm reeds volgende commentaar gekregen : "Gotiek? Haute nouveautée? Een lompen hoop steenen met een toren gelijk een koffiebus".

De 'koffiebus' werd dus opgewaardeerd naar de toren zoals die er tegenwoordig nog steeds bijstaat.

Vanaf het eerste plan tot de uiteindelijke afwerking zijn er dus niet minder dan 45 jaar verlopen.
Nog niet te vergelijken met de bouw van de Sagrada Familia in Barcelona uiteraard, maar toch ook al een respectabele periode van bouwen en bouwstops.

Kwestie van meubilair staat er wel heel wat te bewonderen in deze kerk. 


Onze-Lieve-Vrouwaltaar (zijaltaar zuid) door de gebroeders Blanchard van Gent, geschilderd door het atelier Bressers en daterend van 1867. Uitgevoerd in marmer en eik. Er bevindt zich ook een beeld van Onze-Lieve-Vrouw met kind, daterend van 1867, eveneens van gebroeders Blanchard en geschilderd door het atelier Bressers.

 - Heilige Antonius van Padua-altaar (zijaltaar noord) door Mathias Zens daterend van 1883 en uitgevoerd in steen en eik.

-   Heilige Barbara-altaar (zijaltaar zuid) naar plannen van Remi Rooms uitgevoerd door Robert van Calenbergh, daterend van 1901 en uitgevoerd in steen en eik.


Hoofdaltaar, door Mathias Zens met geschilderde panelen op verguld koper door Verwilghe van Gent, retabel door Remi Rooms geschilderd door Janssens. 
De Altaartafel dateert van 1891, het retabel van 1904. 
Het gaat over een witte marmeren Altaartafel met de centrale voorstelling van de dood van Heilige Jozef, die op gouden achtergrond geflankeerd wordt door spitsboognissen waarin engelen te zien zijn. 

Het tabernakel in uitgewerkt in verguld koper met de symbolen van de evangelisten, het Lam Gods en hostiedragende kelk. Het geheel wordt geflankeerd door nissen met afbeeldingen van de apostelen op een gouden achtergrond. 
Het retabel bestaat uit taferelen hoofdzakelijk uit het leven van Jezus. Een centraal houten gedeelte met calvarie uitgewerkt in hoogreliëf, gepolychromeerd en op een gouden achtergrond met geschilderde zijluiken.

- de veertien staties van de kruisweg waren het werk van Jozef Meganck.

Biechtstoelen door Van Pottelsberghe van Aalst daterend van 1894, en van Mathias Zens daterend van 1904.

Communiebank door Mathias Zens van 1903.

Doopvont door Remi Rooms van 1902.

Glasramen in het koor door Verhaegen, gift van 1890 van Brisard.

Koorgestoelte daterend van 1904 naar de plannen van Remi Rooms, uitgevoerd door De Somer met medewerking van Van de Sande en De Martelare.

Preekstoel door Remi Rooms daterend van 1903. Hier zien we trouwens de plannen voor het bouwen van deze preekstoel. 


Het meest in het oog springende is echter het prachtige orgel.

Dit prachtstuk, een romantisch ‘César Frankorgel’,  werd in 1900 gebouwd door de gebroeders Vereecken, orgelbouwers uit Gijzegem. 


Met de bouw van het orgel van de Sint-Jozefkerk te Aalst bereikten de gebroeders Vereecken in 1900 een echt hoogtepunt. Het instrument telde 31 registers verdeeld over een hoofdwerk, een reciet en een zelfstandig pedaal, daarmee was dit het grootste instrument dat ooit hun ateliers verliet. 
De kostprijs toen was 20.000 Belgische franken, omgerekend 500 Euro. 

Het orgel verenigde zowat alle eigenschappen die de Vereecken orgelbouw zich tot dan toe had eigen gemaakt: romantische dispositie en accessoires, degelijke constructie en een neogotisch orgelfront ontworpen door architect Modeste de Noyette. 
De bekendste orgelisten waren Alfons Teurrekens, Jozef De Ketelaere, Jozef D’Hollander en Jozef De Cock.

De orgelkast, uitgevoerd in eik in Engelse gotiekstijl, is van de hand van sculpteur Remi Rooms uit Gent. In de loop der jaren bleef het instrument ongewijzigd. 

Sinds 1974 is het orgel beschermd, omwille van zijn romantische klank en de technisch heel vakkundige afwerking. De pneumatische tractuur, met membraan-windladen, zal echter steeds het gevoelige punt van het instrument blijven. Net daarom dat het met de grootste voorzichtigheid dient aangepakt te worden.
 
Een grondige opknapbeurt, geen echte restauratie, drong zich op in de jaren 1982-85.
Het was toen voor het eerst dat in Vlaanderen een orgel met pneumatische tractuur opgeknapt werd.

De windvoorziening, windladen, pijpwerk en tractuur waren eerst aan de beurt.  In 1999 volgde nog een volledige ontmanteling van de speeltafel, waarbij ook de vitale onderdelen (leder, vilt, conducten, ...) gecontroleerd en waar nodig vernieuwd werden.  
De origine van het instrument bleef echter onaangeroerd tijdens deze werken.

In de inspelingsbrochure dd. 16 oktober lezen we: “Het speeltuig is afgewerkt volgens het laatste nieuw verbeterd tubulaire stelsel, met de 31 volledige spelen, zonder transmissie of dédoublement”.


Eén van de meest gekende personen in de jaren '50-'60 was "klein Rieken".
Hij was gekend als de ophaler van stoelgeld en rondganger met de schaal. Hij was 'gene groten', hoop en al 1,50-1,55 m, maar was wel door de hele parochie gekend. 
De meesten vonden dat hij steeds boos was, en dat zou ergens wel kunnen kloppen. 
Sommige van die 'brave' parochianen kuisten immers letterlijk hun schoenen af aan zijn broek wanneer hij door de rijen moest om het geld op te halen.

Of de eerste misgangers die in de winter gingen klagen bij de pastoor dat het rond de stoof nog niet warm was, terwijl Rieken ze wel degelijk al uren geleden had aangestoken. 
Of het feit dat hij een groot deel van zijn loon uitbetaald kreeg in kwartjes en halve franken zodat hij met moeite thuis geraakte.
Dat laatste kon natuurlijk ook ergens verklaard worden, gezien hij ook wel graag een pintje dronk en het dan van de kerk naar de Arbeidstraat, waar hij woonde, wel een eindje stappen was. 

Zijn voorkeur ging naar een 33cl Anker-ale van de Zeeberg maar dat kan onmogelijk de oorzaak geweest zijn van zijn 'lange weg' naar huis.  Zelfs op de dagen dat hij niet met zijn loon moest zeulen, werd hij toch 'belemmerd in zijn snelheid' door het gewicht van de 25cm lange sleutel van de kerk, die hij steeds in zijn binnenzak van zijn jas droeg. 

Een ander graag gezien persoon in en rond de kerk was wel de meest geliefde onderpastoor in de jaren '50, namelijk Dhr Bieseman, die later ook aangesteld werd als de eerste pastoor van St. Annaparochie. 

Hij was gekend om zijn enorme geestdrift over alles wat met de koers te maken had. 
Zo vertelde hij in het Kapelleken-Beek in de Dirk Martensstraat altijd met heel veel enthousiasme over de coureurs, de "Ronde van Vlaanderen" en "den Toer".
Een dorpsgenoot, de pastoor kwam uit Deinze, een zekere Marcel Buysse reed dan mee, en deze renner was meer dan ooit het onderwerp van de Zondagse preek. 

Ooit is 'meneer pastoor' zich zelfs eens moeten gaan verantwoorden bij de bisschop omdat hij in zijn geboortedorp door de micro en het open venster van de volgwagen aan het roepen was dat Buysse op kop reed, en hoe spannend de strijd wel was.
 
Ook tijdens de kaatswedstrijden op het Esplanadeplein was hij gegarandeerd van de partij.
Tijdens deze wedstrijden, 'ontsnapte' hij vaak eventjes uit zijn kerk, en zette hij vlug zijn hoed op een toeschouwer zijn hoofd. Zijn rok trok hij vanachter van tussen zijn benen naar voor in zijn brede band. 

En maar commentaar geven op de wedstrijd ... Echt een man van het volk. 

Doordat hij zo geliefd was door iedereen in de parochie, en zo dicht stond bij het volk, is hij verkozen geweest tot eerste pastoor van St Anna. Natuurlijk betekende hij ook daar tijdens de St Annafeesten (jaarlijks in augustus) een enorme 'steun' voor zijn parochianen.


Kwestie van misvieringen, was het een beetje zoals overal. 

De mis van 11.00 uur werd vaak, een beetje onrespektvol, de ‘showmis’ genoemd. 
Het leek een beetje op de toestanden in de winkelstraten van Knokke: "Place m'as tu vu? " 

Hoe geloviger de mensen waren, hoe meer achteraan ze gingen plaatsnemen. 
Vooraan zaten dan vooral de mensen die er belang bij hadden om gezien te worden.  Die kwamen zelfs steevast een paar minuten te laat om dan al kuchend een plaats op te gaan zoeken in de eerste helft van de kerk. Natuurlijk liefst de kant van de preekstoel, volgens hun om de pastoor beter te kunnen verstaan tijdens zijn preek, volgens anderen om zeker door hem gezien te worden. 

Een beetje zoals Rob De Nijs al zong in zijn hit ‘Malle Babbe’ : 

En zondags in de kerk                
Dan zit daar zo'n meneer ...
Stijf als een houten plank            
met spijkers in zijn kop
te kijken in zijn bank.
       
Een zwart lakens pak
Om zijn zondige lijf
Bang voor de duivel
En bang voor zijn wijf
En zuinig een cent
In het zakje doen
Zo koopt hij zijn ziel weer terug
En zijn fatsoen

En jij moet achteraan
In het donker ergens staan
Zoals het hoort ...

Voorts waren er ook vooraan, kant preekstoel de privé kerkstoelen. Dat waren stoelen met fluwelen zitting en armsteun en met mooie gedraaide poten. Deze stoelen waren voorzien van de initialen van de eigenaar, vergelijk het een beetje met de 'Stammtisch' in de Oostenrijkse cafés of Weinstuben. 
Met de opkomst van kerkantiek werden dit geliefkoosde objecten om thuis in de hall te zetten. 

De St. Jozefparochie was ook een deel van de stad waar in sommige straten een gedeelte bestond uit huizen van de burgerij en huisjes van de arbeiders.  De parochie strekte zich uit tot aan Schaerbeek, de latere St-Annaparochie.

Een mooi voorbeeld hiervan was de Wellekensstraat.
Van de Dirk Martensstraat tot de Kluyskensstraat vonden we er allemaal burgerwoningen.
Het tweede gedeelte tot De Schrijverstraat iets minder maar toch nog met een eerste verdiep en verder "de witte rij" met allemaal kleine arbeiderswoningen.

Het kruis is er enkele jaren geleden afgehaald na een hevige storm. Op 20 augustus 2008 immers werd bij werken om de bliksemafleider van de kerk te vervangen, ontdekt dat de torenspits van de kerk zich in heel slechte staat bevond. 
"Roestvorming" was het verdict en er werd beslist om de torenspits en de windhaan te verwijderen.


Er werd daarenboven ook een stelling voorzien omdat er aan de voorkant van het gebouw een reëel gevaar bestond voor vallende brokstukken. De stellingen met afdak voor de vallende stenen werden eventjes verwijderd, maar staan er nu opnieuw.  Het gebrek aan geld zorgde immers voor de verdere afbrokkeling van deze mooie kerk. 
Ook voor de naastgelegen woning staan stellingen om eventueel vallende stenen tegen te houden ... 

In de kerk diende een ruimtesteiger opgezet te worden die toelaat om herstellingswerkers op 7 hoogteniveau ‘s te kunnen uitvoeren. Daarenboven dienden ook extra stutten en schoringen geplaatst te worden om het dak en gebinte te ondersteunen.


Het kruis bevindt zich nog steeds aan de linkerzijde van de kerk in het Eenegemwegsken. Dit weggetje, tussen de kerk en bloemenwinkel ‘Bloemenweelde’, ‘buurtweg nr 56’ werd definitief afgeschaft in 1969. 
Langs de deur tussen de bloemenwinkel en de kerk kon men tijdens de dag wel de ateliers van André Van Schuylenberg bezoeken, maar dat kan nu eventjes niet meer omwille van de werken.

Wie denkt dat de restauratieperikelen heel recent zijn, slaat de bal mis. 

Reeds op 20 augustus 2010  stelde de kerkfabriek architect Ellen Vertommen aan voor de restauratie van de kerk. Er werden toen 5 restauratiefases vastgelegd : 

1. Voorgevel en toren
2. Dakwerken (exclusief voorgevel en toren)
3. Gevelwerken (exclusief voorgevel en toren)
4. Glasramen
5. Interieur

Het dossier voor de eerste fase was klaar in oktober 2013 en werd aangemeld voor subsidies bij het Agentschap Onroerend Erfgoed in november 2014. Het is ook sedert dat jaar dat de kerk niet meer actief gebruikt wordt voor vieringen.

In 2016 heeft de werkgroep SintJozef125 de 125e verjaardag van de kerkwijding van de Sint-Jozefkerk herdacht met tal van activiteiten en uitgaven. Zo kwam het bekende koor Scala  drie keer een december-concert geven, zijn er twee orgelconcerten geweest met video-projectie en werd ook de kerkwijding zelf herdacht in een plechtige en feestelijke viering.


Het opzetten van een tentoonstelling en de uitgave van een boek over de geschiedenis van kerk en parochie waren de kers op de taart. Na dit boek werden nog twee extra addenda uitgegeven: eentje naar aanleiding van erfgoeddag over "Zorg op de parochie" en eentje naar aanleiding van het tweede orgelconcert over het geklasseerde Vereeckenorgel.

Tevens werd een cd uitgegeven met opnames op het Vereeckenorgel door organist Peter Thomas.

Feestje dus … al had het allemaal een beetje een wrange nasmaak. Het opgestarte dossier in verband met de broodnodige restauratiewerken, is heel lang blijven liggen bij de dienst subsidies van het Agentschap Onroerend Erfgoed. Hoewel ingediend in 2014 werd pas in de zomer van 2022 de subsidie toegekend en kon er eindelijk een aannemer gezocht worden die de werken zou uitvoeren. 
Op 10 oktober stelde de kerkfabriek de aannemer aan, en er werd werk gemaakt van fase 1.

Tijdens de voorbereidende werken echter bracht een drone de staat van het exterieur in kaart, en die was niet meteen schitterend te noemen. Een grote hoeveelheid ornamenten bleek los te liggen, en het risico dat deze bij een storm zouden kunnen vallen, bleek te groot. Temeer dat er een drukke straat en een school in de onmiddellijke nabijheid liggen.

Verder onderzoek van de aannemer bracht ook nog aan het licht dat ook de zolders en de dakstructuren van het schip zich in heel slechte staat bevonden. 
De volledige houten draagconstructie van het dak werd kapot gemaakt door de aanwezigheid van vele lekkages. Het vocht heeft het hout geen goed gedaan, en doen rotten. 
Daarenboven bleek er ook nog eens de aanwezigheid van de klopkever, die het hout eveneens zwaar aangepakt heeft. 

En alsof dat nog niet erg genoeg was, bleek ook nog eens dat de dakstructuur uit minderwaardig grenenhout werd vervaardigd. 

De stadsdiensten en de veiligheidscel werden ingeschakeld en er werden maatregelen genomen. 

Langs de buitenkant werd de volledige toren en het dak ingepakt in veiligheidsnetten. 
Binnen werd het volledige schip van de kerk gestut om instortingsgevaar te kunnen vermijden. 


De kerk werd volledig leeg gehaald zodat deze noodstellingen snel konden geplaatst worden. Alle losse meubelstukken werden opgelijst, veilig ingepakt en naar een stockageplaats gebracht door een gespecialiseerde firma. Wat niet kon verhuisd worden, zoals biechtstoelen en preekstoel, werden ter plaatse ingepakt.

Omdat de kerk er na onderzoek nog slechter aan toe was dan eerst werd aangenomen, besliste de gemeenteraad dat de geplande eigendomsoverdracht van de kerk naar de stad niet zou doorgaan. Een volledige restauratie op kosten van de stad zou financieel niet haalbaar zijn. 
Er weren vier pistes onderzocht. Volledige restauratie, behoud van de toren, volledige sloop of geen interventie van de stad. Op sociale media werd een heuse oorlog uitgevochten. 

Volgens de enen moest de bescherming maar opgeheven worden, en zou de boel afgebroken moeten worden. Volgens de anderen diende het gebouw zeker te worden beschermd, er is nog zo weinig overgebleven van het verleden in Aalst…

Een heel moeilijke discussie dus …  Afbreken zou al bijna zoveel geld kosten als renoveren, want het is niet zo simpel om zo’n gebouw in het midden van de stad neer te halen zonder heel strenge veiligheidsmaatregelen en torenhoge kosten. 

Het VVAK (Erfgoedvereniging voor Aalsters Kultuurschoon) was (uiteraard) voorstander voor een totaalrestauratie van de kerk. 
Er bevindt zich immers een beschermd orgel dat bij afbraak ook verloren zou gaan samen met de kerk. Het werd immers op maat van de kerk gemaakt, en kan onmogelijk verplaatst worden. 

Het VVAK is daarenboven de mening toegedaan dat de stad aan de kerk een andere invulling kan geven, naar het voorbeeld van Sint-Niklaas. 

Ook natuurverenigingen zien het gebouw liever niet verdwijnen. In de toren zijn immers steeds vaker nestjes terug te vinden van de slechtvalk. 
De voorbije tien jaar werden er zo meer dan 50 nieuwe slechtvalken geboren op de Sint-Jozefskerk en op de gebouwen van Tereos.
Dat is een opmerkelijke terugkeer van deze vogelsoort want zo’n 20 jaar geleden was de slechtvalk bijna volledig uitgestorven in onze contreien. 
De slechtvalk heeft zich snel aangepast aan de verbeterde situatie: minder gebruik van giftige pesticiden, veiligere nestgelegenheid en voldoende voedsel (verwilderde duiven) in stedelijke omgeving. 

Ze leven vooral van andere vogels die ze grijpen in duikvluchten die soms tot 300 km per uur kunnen gaan. De prachtige slechtvalk wordt daardoor bij de snelste diersoorten ter wereld gerekend.

Dat deze roofvogel belangrijk is voor onder andere Natuurpunt, mag blijken uit het feit dat de stad in 2006 reeds enkele nestkastjes plaatste in de toren van de kerk. 


De Dienst Leefmilieu van de stad en de kerkfabriek stonden volledig achter het initiatief en de vraag van Natuurpunt. Voor de bouw van de nestkast werd het Fonds voor de Instandhouding van Roofvogels (FIR) aangesproken, en ook de dienst Leefmilieu hield een budget klaar voor de bouw. Het ruime verblijf kostte 1.750 euro, plaatsingskosten inbegrepen. Natuurpunt onderhoudt, controleert of de vogels kweken en ringt de jongen.

Soortgelijke nestkasten werden al met succes geplaatst op de kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele in Brussel, de Sint-Rombouts kathedraal in Mechelen, Sint-Baafs in Gent, de Onze-Lieve-Vrouwkerk in Brugge en de basiliek van Tongeren. Alle nestkasten worden momenteel bewoond door slechtvalken.

De nestkasten van het FIR zijn duurzame en veilige constructies. De kast en het draagstel worden vervaardigd uit roestvrij staal. De eigenlijke bak meet ongeveer 75 bij 45 cm en is 70 cm hoog. Voor de eigenlijke bak bevindt zich dan nog een balkon van ongeveer 30 cm breed. 
De hele constructie weegt ongeveer 50 kg. 
Ze is volledig vervaardigd uit inox met een binnenwand uit hout. 

In de Sint- Jozefkerk werd de kast gemonteerd op een hoogte van 60 meter tegen een steunpilaar van de bovenste galerij. Aangezien de kast dus ongeveer twee meter naar achteren staat en visueel afgeschermd wordt door de balustrade, is ze vanop de begane grond niet te zien. De nestkast werd eigendom van de stad Aalst.

Hoewel het stadsbestuur dus in de kerk een eigen nestkast ter beschikking had, had men toch de intentie om de kerk af te laten breken, te laten declasseren of te laten declasseren met behoud van de toren, maar een volledige restauratie zou te duur zijn. 

Er werd heel wat gepalaverd, maar op 28 maart 2023 zette de gemeenteraad – na vele discussies - eindelijk het licht op groen voor de restauratie van de Sint-Jozefskerk. 

De week ervoor besliste de stad al om de kerk te behouden en te renoveren, en nu heeft de gemeenteraad dat plan dan ook goedgekeurd. Amper vijf gemeenteraadsleden van de 43 stemden tegen. 

Er werd beslist om de kerk te restaureren in zo’n tempo dat de stadskas het kan dragen. 
Intussen zijn alle benodigde veiligheidsmaatregelen getroffen. De straat werd afgesloten voor verkeer en ook de speelplaats van het SMI werd gedeeltelijk een ‘no go-zone’.

Ondertussen heeft de kerkfabriek de eigendom van de kerk ook definitief aan de stad overgedragen. 

Half augustus 2023 werd van start gegaan met de eerste van de vijf geplande restauratiefases, het herstel van de gevel en de toren. Vermoedelijk zal deze fase ongeveer een jaar in beslag nemen. 

Alles samen wordt die restauratie op zo'n 40 miljoen euro geraamd. De stad betaalt zelf maar een klein deel daarvan. 
Ze wil de uitgaven tot 1,5 miljoen per jaar beperken, en rekent dus grotendeels ook op subsidies van de Vlaamse Overheid en samenwerkingen met partners. 

En ... het hoeft zo lang niet te duren natuurlijk ... maar ooit zullen we opnieuw de kerk kunnen bewonderen zoals ze voorheen was. Niet meer als kerk, maar met een andere invulling ... maar dat is ondertussen ook weer voer voor heel wat meningen en discussies ...



Bronnen

Kerknet.be
Issuu.com
Tvoost.be
Gemeenteraad 28/03/2023
VRT nws 24/03/2023
Nieuwsblad 17/08/2023
Sintjozef125.be
De Dendergalm 24/01/1904
Delcampe.net
Valkenvooriedereen.be
Foto Bvaerrts via Flickr (skyscrapercity.com)
Afixgroup.com
Pluspuntarchitectuur.be
Foto slechtvalkjes Tereos : Katrien Buysse
Plannen preekstoel via beeldbank.onroerenderfgoed.be
Inventaris.onroerenderfgoed.be, digitaal beschermingsdossier DO001045, Aalst: Oude Binnenstad.

woensdag 9 september 2020

Kattestraat - Zorgstraat - De Heilige Geestkapel

Jarenlang een doorn in het oog van de Aalstenaars, maar nu toch opnieuw een mooiere omgeving : de Kattestraat en dan vooral de omgeving omtrent de Heilige Geestkapel.
tekening van Arthur Thybaert
De Heilige Geestkapel is van oorsprong het oudste kerkelijk gebouw in Aalst
Het is zelfs nog tien jaar ouder dan de monumentale Sint Martinuskerk.
Verwaarlozing, plunderingen en uiteindelijk ook nog eens een hevige brand deden het mooie gebouw bijna helemaal wegkwijnen.

Het was al jarenlang een doorn in het oog en de commerciële aantrekkelijkheid van de Kattestraat zou er onder te lijden hebben. In 1980 werden het ernaast gelegen meisjesweeshuis en oudevrouwentehuis al gesloopt en ook het jongensweeshuis en het oudemannentehuis werden definitief naar de geschiedenis verbannen.
Plannen voor een nieuw winkelproject botsten jarenlang onverzoenbaar met het gebouwtje tot men toch tot een akkoord kwam.
In de kapel bevindt zich nu een kledingwinkel.

In de Kattestraat als 'zorgstraat' bevonden zich onder andere :  

- de Heilige Geestkapel  
- links het Meisjesweeshuis, het zogenaamde "Maegelyn" (sinds 1718) en 
- rechts het voormalige Heilige Geesthuis, later Oudevrouwenhuis
- tegenover het Jongensweeshuis en
- het voormalige oudemannenhuis

HIER : meer info over de vrouwen : het meisjesweeshuis en het oudevrouwenhuis
HIER : meer info over de mannen :  armenwerkhuis >  jongensweeshuis en het oudemannenhuis

Bij de bespreking over de Zorgstraat begin ik met de Kapel zelf.

De Heilige Geestkapel 

In 1913 kreeg ‘het kapelleken’ een enorm compliment van De Volksstem.

Het Heilig Geestkapelleken! Hoe velen zullen verwonderd opkijken! Men had wel een vaag vermoeden dat zoo iets bestond, doch ’t was er al mee.
Welnu, wij nodigen alle kunstminnaars uit (en ze zijn talrijk in Aalst) het overoud gebouw met een klein bezoek te vereren. Eene prachtige herstelling heeft eer een waar pronkjuweel van gemaakt, een wonder van bouwtrant, en schildering

De H. Geesttafel, als instelling voor armenzorg te Aalst, bestond waarschijnlijk reeds op het einde van de 13de eeuw en maakte deel uit van het voormalige Godshuis 'Tafel van de Heilige Geest'.

Het oudst bewaarde renteboek van de H. Geest dateert uit 1351. 
Pas in het renteboek van 1380 wordt voor het eerst ook melding gemaakt van een 'Heilech gfheesthuus' een in het renteboek van 1408 spreekt men van ''s heylichs Gheesthof'.

De oprichting van een eerste kapel wordt in 1368 geplaatst omwille van de passage in het 'Bouc van der Jaerghctiden van den Heyleghe Gheest' \x\X. 1477, waarin staat dat 'Lieven Godevaerts ende Jan zijn zone' in voornoemd jaar een stuk grond schonken waarop 't heilig Gheesthof ende capelle ghefondeert ende geedifficeert' werd en waarvoor zij honderd jaar later nog steeds een jaargetijdemis kregen.

Dank zij opgravingen in april 1989 werd het bestaan van de kapel ook bewezen.

Ook werd er dankzij grondafstand van de buren (Jan Van Eggermonde en zijn vrouw Katheline van den Bruele), een tweede, ruimere kapel opgericht.
Hierdoor zou het eerste gebouw met circa 28 m2  vergroot zijn.

Uit diezelfde opgravingen bleek dat er een as wijziging gebeurde tussen de funderingen van de eerste kapel en deze van de huidige. Daaruit kan men afleiden dat de reeds bestaande bestaande kapel vanaf de grond volledig nieuw werd opgebouwd. Dit zou gebeurd zijn in 1470. 
Deze aswijziging is ook te verklaren door een wijziging van het straattracé.

De gotische H. Geestkapel bleef onaangeroerd tot in 1582, wanneer ze door gereformeerden tijdens de godsdiensttroebelen werd verwoest. De graad van vernieling is bij gebrek aan bronnen niet meer te achterhalen maar zeker is wel dat zij toch redelijk snel kon hersteld worden. Het opnieuw inwijden van de kapel vond plaats in 1584, dat blijkt uit de vondst van een altaarsteentje met dat jaartal erop vermeld.

In de beide zijgevels van de bestaande kapel bevond zich telkens een fel verweerd, gotisch, zandstenen tweelicht. Deze beide raamzones vormden samen met de blinde gevelgedeelten de kern van de middeleeuwse kapel van 1470.
In de blinde gevelgedeelten is ondertussen geen spoor meer terug te vinden van dichtgemetselde tweelichten, hoewel de toen vrijstaande kapel dit toeliet.

Een tweelicht, of bifora is een bepaald type venster dat is onderverdeeld in twee openingen die van elkaar worden afgescheiden door een kolom of zuil. Deze 'bifora' zijn kenmerken voor de romaanse en gotische periode, waar ze veelvuldig werden toegepast in sierlijke gaten van kerktorens of -gebouwen. Hier een voorbeeldje van zo'n tweelicht, met de melding dat dit geen afbeelding is van 'onze' kapel.

Langsheen de ene zijgevel bevond zich lange tijd een 'ganc of poortwegch' van welgeteld 0,83 m breed, die afgesloten werd met een poortje.  
Langs de andere zijgevel bevond zich dan de oudste toegang tot de kapel. 
De deuropening met restanten van een accoladeboogvormig deurportaal in zandsteen bestond eind jaren '80 nog steeds, maar het deurgat werd wel dichtgemetseld met baksteen en opeengestapelde fragmenten van hetzelfde deurportaal .


Terwijl in de 17e eeuw de benaming van 'instelling voor armenzorg van H. Geesttafel', in 'Armenkamer' en vervolgens in 'Bureel van Weldadigheid' veranderd werd, bleef het uitzicht van en de situatie rondom de H. Geestkapel ongewijzigd tot in 1841, toen de godshuisjes naast de kapel werden gesloopt.
In 1807 werd wel het beeld van OLV ter Nood overgebracht van de Karmelietenkerk naar de kapel. Daar ontving men het beeld van de ondertussen afgeschafte kloostergemeenschap met open armen. Men plaatste het boven het tabernakel en weldra ontstond een bloeiende aanbidding van de OLV ter Nood.



Volgens de aanbestedingsakte werd men verplicht om sommige materialen te recupereren voor de bouw van het nieuw vrouwenhuis. 

Het 'Huys des Heylige Gheest' met een schilderachtig binnenhofje tussen de Ridderstraat en de Kattestraat en aanleunend tegen de kapel, werd opgetrokken in neoclassicistische stijl. 
Er ontstond een stijlverschil tussen de kapel in bak- en zandsteen en het witgepleisterde verzorgingstehuis en het straatbeeld liet voortaan een volledig ingebouwde kapel zien.

Aan de straatzijde heeft de kapel een puntgevel met een centraal, spitsboogvormig drielicht en een laatgotisch getinte korfboogpoort. Rechts bevindt zich een laatgotisch wandkapelletje met St.-Annabeeld. De sobere, éénbeukige ruimte van de kapel heeft een houten spitstongewelf.  


Aan de voorgevel was een stadspomp voorzien, waarvan de resten trouwens nu nog steeds te zien zijn. Het jaartal 1767 is trouwens nu nog steeds duidelijk leesbaar.

Ook de naam van de Aalsterse kunstschilder Jozef Meganck blijft onafscheidelijk met het gesticht van de Broeders van Maria verbonden, zij het dan op een heel andere manier.
Petrus Van Nuffel verklaarde in zijn gelijknamig werk over deze figuur het hoe en waarom.

"Omtrent dit tijdstip (1859-1860) verbleef hij geruimen tijd te Aalst, in het gesticht der Broeders van Maria. Hij woonde daar, in de Lange Ridderstraat, als een lid der gemeenzaamheid, want zoo hartlijk en gulhartig hij er ontvangen werd, zoo ongaarn zag men hem naar Brussel weerkeeren.
'Hier zal ik nog komen wonen', zei de schilder dan lachend tot Vader-Overste De Pauw, eene begeerte, die later ernstig gemeend was, doch, door een samenloop van omstandigheden, onbewerkstelligd bleef". 

Meganck kreeg bij de broeders, telkens hij kwam en hoelang hij er ook verbleef, kosteloos inwoon en voeding. Ten einde de brave kloosterlingen hun gastvrijheid te vergoeden, en zijn erkentelijkheid te tonen, heeft hij in 1859 zijn penselen en verfjes meegebracht naar Aalst.
In het gesticht van de Broeders schilderde hij het groot altaarstuk "De H. Familie", hetwelk op 'het hoogauter der kapel' kwam te staan.

Tijdens de uitvoering van dit werk, ontving hij er regelmatig het bezoek van M.F. Brisard-Temmerrnan, een rijke inwoner van de stad die kloostergemeenten en kapellen koninklijke giften schonk. 
Al heel snel ontstond tussen hen een broederband die enkel door de dood verbreekbaar zou zijn. 
Men moet weten dat De Broeders van Maria toen geen Kruisweg bezaten, wat wel een gemis was voor de gemeenschap.

M. Brisard deed onmiddellijk dit werk maken, wat hem 1.200 franken kostte.
In hetzelfde gesticht, waar jarenlang ook de borduurkunst beoefend werd, schilderde Meganck ook nog verschillende medaillons voor processievanen, enz.

In 1860 werd de kapel ook verrijkt met een orgel, door de gekende orgelbouwer Petrus Joannes Vereecken uit Gijzegem vervaardigd.

Sinds 23 januari 1864 woonde te Aalst bij de broeders ook een religieus van de abdij van Dendermonde als "kostkoper" , met name P. Charles Ingels. Deze kreeg, na 12jaar, de toelating elke zon- en feestdag de mis te lezen, en dit als genademaatregel naar aanleiding van het bezoek van de Gentse bisschop Mgr. Bracq aan de stad Aalst van 16 tot 19 juli 1865 en in het bijzonder aan het klooster van de Broeders van Maria op  19 juli 1865. 

In 1893 worden herstellingswerken uitgevoerd aan de voorgevel van de kapel van het Oude Vrouwenhuis volgens de plannen van Julius Goethals, bouwkundige te Aalst. 
Er kwam een nieuwe eikenhouten poort, men verving de stijlen en het hoogveld van een raam, het gebouw kreeg een nieuwe deuromlijsting, glas-in-lood en ijzerwerk. 
Deze werken waren waarschijnlijk bedoeld als aanzet tot omvangrijkere uitbreidingswerken, die een paar jaar later plaats vonden onder leiding van dezelfde bouwmeester, die bekend was om zijn uitgesproken voorkeur voor de neogotiek.

Tussen 1901 en 1909 vond de vergroting van de H. Geestkapel plaats. 

De bestaande kapel werd onder regent De Pratere met een derde uitgebreid. Het koor werd achteruit geplaatst en de oude zijmuren van de kapel werden verlengd. Aan beide zijden werden telkens twee tweelichten aangebracht naar het gotische model van 1470. 
De sacristie tenslotte werd volledig herbouwd en verdubbelde op die manier in oppervlakte.

In 1904 telde de confrérie van de OLV ter nood nog slechts een paar leden en het beeld werd van het tabernakel weggenomen en naast het altaar geplaatst.
In 1909 werd het nog verder naar achter geplaatst. De kledij van OLV en het Kindeken werden voor reparatie weggebracht.
Nog enkele jaren later verdween het beeld volledig uit de kapel.

In 1941 werd het beeld op een stoffige zolder opnieuw ontdekt.  
Hoe het beeld er dan uitzag?

Een fijn besneden Madonnagelaat, met moederliefde neerblikkend op een mollig wicht dat ze in de armen hield. 
Het aangezicht leek wel dat van een zuiders type, wat nog versterkt werd door de nonchalante hoofddoek die een deel van het golvend haar vrij liet.
De zwierige plooien van de tuniek en de rok wezen op een mooi product uit de barok-periode, ontstaan onder Italiaanse invloeden. 
Het - men moet daar eerlijk in zijn - iets minder geslaagde beeld van de kleine 'bambino' was geschonden. Zowel de linkerarm als een deel van de rechterarm ontbraken. Wellicht ging het zelfs over een opzettelijke verminking om het beeld gemakkelijker te kunnen aankleden.
Later heeft men het beeld gerestaureerd.
Niet alleen kreeg het kindje opnieuw twee armpjes, maar de restaurateur was van mening dat hij  Moeder en Kind ieder een gipsen kroon op het hoofd moest zetten.
Ook heeft hij toen het beeld op schreeuwerige manier in de verf gezet. 
Het kunstwerk werd op die manier zo vervormd en verknoeid dat men ging twijfelen aan de authenticiteit.
Door die herstelling werd het kunstwerk eigenlijk een tweede maal verminkt.
Gelukkig was de aangebrachte schade niet onherstelbaar.

Was de vergroting in de kapel duidelijk zichtbaar door drie vloerhoogten van telkens een trede verschil, langs de buitenzijde werd steeds hetzelfde baksteenformaat aangewend en zodanig in elkaar verweven dat zich geen bouwnaad aftekende in het metselwerk. 

De kapel werd volledig neogotisch ingericht met onder meer een houten tongewelf. Op de muren werden onderaan stofimitaties geschilderd. 
Frans Coppejans zorgde voor een triptiek rond het glasraam in het nieuwe koor.

Vanaf 1958 komen alle gebouwen van de Kommissie van Openbare Onderstand in de Kattestraat leeg door verhuis naar andere locaties.

Toen in 1965 de laatste bewoners van het 'oudevrouwenhuis' naar Sint Job trokken, begon de saga van de Heilige Geestkapel. In 1966 werd een aanvraag tot klassering van de kapel ingediend.

In 1969 werd de H. Geestkapel gesloten zonder opname van de inboedel.

Toenmalig voorzitter van de COO (voorganger van het OCMW) Piet Rousseau regelde in maart 1973 het ontwerp van verkoop van het bijna 25 ha groot perceel aan de Brusselse Federale Immobilienmaatschappij voor goed 14 miljoen Belgische Frankskes. Het spel zat nu natuurlijk op de wagen. De gebouwen verloederden, maar na heel wat discussies werd besloten dat de omliggende gebouwen zouden gesloopt worden, maar dat de kapel zelf in 1973 beschermd wordt als monument.
Rasecht karnavalist Pierre De Winter heeft toen in een gestencild mini-brochure zijn originele plannen uiteengezet om een Karnavalsmuseum in te richten in de voormalige H. Geestkapel.

Bij K.B. van 12/11/1975 werd de H. Geestkapel als monument beschermd.

De discussies over de andere - ondertussen ook vervallen - gebouwen bleven echter bestaan. 
Ook de kapel kwam kwam ondertussen zwaar in verval en een brand aan het dak in augustus 1979 bespoedigde de verkrotting zo erg dat de bescherming werd opgeheven. 
De kapel was zwaar gehavend door de brand (vooral het sporendakgebinte uit de middeleeuwen ging volledig verloren) en dat kwam volgens sommigen eigenlijk wel goed uit.

Telkens er aan een of ander historisch dak geprutst wordt, gebeurt er iets. Zo brandde het vorige eeuw in het Belfort, en na de tweede wereldoorlog in de Sint Martinuskerk. En nu dus de H. Geestkapel. Een ongelukje tijdens het werk, noemt men zoiets. Sommige omstaanders maakten de nogal cynische opmerking dat het merkwaardig goed op tijd kwam, dit brandje…

Rechtover de kapel bevonden zich toen de diensten van de heer Roels, schepen van onder andere Cultuur. Het zou logisch geweest zijn dat hetgeen wat uit de brand gered werd, naar daar zou gedragen worden. Dat was niet ver en daar stond alles, voorlopig toch, veilig.
In plaats daarvan  echter trok men met het Mariabeeld uit de nis aan de voorgevel naar het politiebureau. Daar zou het beeld zeker in alle veiligheid staan. Merkwaardig genoeg ‘verloor’ men onderweg twee bijhorende vaasjes. Waarschijnlijk een Aalstenaar die een nog veiliger plaats kende
”.

Wat er ook van zij, de kapel was heel zwaar gehavend.
In December van dat jaar vlogen daarenboven de ruiten en brokstukken door een hevige storm op straat en de resterende muren dreigden in te storten.

Finaal werd met een gedeeltelijke sloping aangevangen (op een zondag !). 

De voormalige gebouwen van het meisjesweeshuis en het oudevrouwenhuis aan weerszijden van de kapel werden in 1980 reeds volledig met de grond gelijk gemaakt. 
De brandschade aan de kapel werd daardoor nog zichtbaarder.
Men sprak al gauw van ‘de schande van de stad’.

De handelaars uit de Kattestraat, die jarenlang opgezadeld geweest waren met de vervallen ex-bejaardentehuizen, hadden nu zicht op de woesternij rondom de H. Geestkapel. Een procedureslag verhinderde echter een nieuwbouw en het stadsbestuur nam het braakliggend terrein in huur om het als parkeergelegenheid in te richten.  Er kwam plaats voor 114 voertuigen en de parking werd opengesteld tegen de feestdagen van 1981.


Het dak werd voorlopig wel hersteld maar de zielige blik op de ruïnes van de kapel bleef.
Die – tijdelijke - parkeerruimte zette schepen De Neve aan het denken.

Hij zag een ondergronds parkeergebouw (toen al), dat toegankelijk zou zijn via de Ridderstraat, met een doorsteek onder de Nieuwstraat door, om zo een ondergrondse parkeergarage onder de Hopmarkt te bereiken, met een uitrit naar het Keizersplein toe.
Dit plan werd al vrij snel aan de kant geschoven, en plannen voor een nieuw winkelproject botsten jarenlang onverzoenbaar met het gebouwtje dat doodgemoedereerd midden op een bouwterrein stond te verkommeren.
Een eerste projectontwikkelaar had plannen voor een commercieel centrum op de site. De Heilige Geestkapel zou moeten wijken en aan de Ridderstraat zou een parkeertoren verrijzen. Deze laatste optie deed de hele zaak nog wat escaleren. In het nieuwe verkeersarme centrum paste namelijk geen grootschalige parkeergelegenheid. Men opteerde ervoor om de kapel af te breken, en even verderop op een binnenpleintje (Maegdelijkpleintje) weer op te bouwen. Verschillende actiegroepen eisten daarop het behoud van de kapel en kregen uiteindelijk gelijk.

Het was nu wachten op een nieuwe projectontwikkelaar die de terreinen verwierf, en verrassende plannen op tafel kon leggen : maar liefst 32 winkelunits, 18 appartementen en een gerestaureerde Heilige Geestkapel. De nieuwbouw werd genoemd naar tapijtwever Pieter Van Aelst. De Pieter Van Aelstgallerij was geboren.

Pieter Van Aelst, alias van Eedingen, was een vooraanstaand tapijtwever, koopman en makelaar uit het begin van de 16e eeuw. Hij was zelfs hoftapijtwever van Filips De Schone en Keizer Karel én lid van de prestigieuze Sint Jorisgilde. Later vestigde hij zich in Brussel. Hij voerde onder andere in opdracht van Paus Leo X een reeks wandtapijten uit naar een ontwerp van Rafaël.

In 1991 werd de kapel gedeclasseerd op aanvraag van een nieuwe eigenaar en de sloping ervan werd in het vooruitzicht geplaatst.

Uit religieuze middens werd protest aangetekend want de H. Geestkapel was ondanks zijn ruïneuze toestand op dat ogenblik immers nog steeds het symbool van 50 jaar armoedezorg te Aalst.

Na veel gepalaver werd de kapel dan toch behouden, en kreeg ze een herbestemming als handelszaak.
In 1997 werd de kapel dan opnieuw beschermd, en dit is ze nog steeds tot op vandaag.
Het tabernakel van de kapel, net als het Madonnabeeld en de communiebank (18e eeuw) worden nog steeds bewaard in het stedelijk museum.

De toen aanpalende gebouwen zijn helemaal verdwenen.
Achter de kapel bevindt zich nog steeds het Maegelijnpleintje.


HIER : de vrouwen : het meisjesweeshuis en het oudvrouwenhuis
HIER : de mannen :  armenwerkhuis >  jongensweeshuis en het oudmannenhuis


Bronnen :

inventaris.onroerenderfgoed.be
Onroerend Erfgoed Oost-Vlaanderen, DO002061,
Aalst: Heilige Geestkapel (VAN DEN BOSSCHE H., 1994).
Kultureel Jaarboek van Oost-Vlaanderen, Gent 1975, 154-155.
Onroerend Erfgoed Oost-Vlaanderen, DO002061,
zwysen.be
het land van Aalst ‘de broeders van Maria’ 1993/4
Gewezen wezen, weesskinderen in het laatmiddeleeuwse Aalst, 2007, E.Herwege
foto 1978 via beeldbank 
foto oudemannenhuis via MadeInAalst   
foto 2 oudemannenhuis via MadeInAalst    
binnenzicht oudmannenhuis met H Geestkapel via MadeInAalst  
gerardimontium.be
De Denderbode 4/10/1874 – 15/11/1908
Het Land Van Aelst 30/12/1883
Vies Oilsjt 1/9/1979 – 1/9/1979
De Gazet van Aalst 13/10/1949 – 13/4/1961 – 4/4/1970
De Volksstem 19/7/1923 – 2/6/1931 – 11/11/1932 – 15/10/1920 – 13/11/1913 – 7/6/1941
De Dendergalm 21/11/1897 – 1/7/1888 – 6/5/1900
Recht en vrijheid 14/3/1909
Archeonet Vlaanderen
Voor allen 8/1/1966
Flickr.com/photos/erfgoed/2370159878
Foto Tijl Vereenooghe
realo.be
Agentschap Onroerend Erfgoed 2016: Godshuis Tafel van de Heilige Geest [online], id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/84 
Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen Prov. Oost-Vlaanderen Arr. Aalst 5N deel 1( A-G), Kultureel laarboek van O.-Vlaanderen, Gent 1975, 154-155.
O. Broeckaert, 1970: Cultuur-Historische facetten van Oost-Vlaanderen 1, Wettercn.
F.Courteaux. 1970: De kapel van de H.Geest en de Armenzorg te Aalst,  Het Land van Aalst XXII-6, 49-78.
foto nieuwe parking Voor Allen 4/12/1981 (W.Marckx)
F.De Potter. & J.Broeckaert. 1873-1876: Geschiedenis der stad Aalst en het voormalig Land van Aalst, I-IV, Gent.
Jos Ghysens. 1986: Geschiedenis der straten van Aalst, Aalst.