Nieuws uit Aalst

--------- Profiesjat Prinsj Joshy !!! ------- 't Principoilsjte vandaug es da ge ni te veil complementen mokt en genietj van 't leiven ! - - - - - - - Covid-19/Griep : Blijf aub voorzichtig en denk aan uw medemens !! - - - - - - - Deel enkel berichten van officiële bronnen om fake news te vermijden !!! - - - - - - - -

vrijdag 26 juni 2020

De Leirekensroute (Lijn 61) - Fietssnelweg F27

Lijn 61, de treinlijn die van Antwerpen-Zuid naar Aalst liep, is de meeste lezers waarschijnlijk totaal onbekend. Als ik echter de ‘Leirekensroute’ vernoem, zijn de meesten wel mee.


De bewuste lijn is nooit echt van groot belang geweest in de spoorgeschiedenis en omdat ze niet rendabel genoeg was, is ze dan ook reeds geruime tijd verdwenen.
Omdat de naam echter blijft verder leven in namen van straten, paden, verenigingen en zelfs streekgerechten, is het wel eens de moeite waard om de geschiedenis ervan terug in de belangstelling te brengen.
Zeker met de zomermaanden (in eigen land) voor de boeg is het vermeldenswaardig dat de oude spoorbedding ondertussen werd omgetoverd tot een wandel-/fietspad.
Het parcours is 22,2 kilometer lang (enkel), als je dus een heen-terug ‘boekt’, krijg je maar liefst 44,4 kilometertjes in de benen, of het nu al wandelend of al fietsend is.

In Aalst is de naam ‘Leireken’ eigenlijk al even beroemd als bijvoorbeeld ‘de Oriënt Express’, ‘de Transsiberian’ en dergelijke, zij het dan dat er geen spectaculaire verhalen of moorden aan vastgeknoopt kunnen worden.

Eén vraag dient echter zeker te worden beantwoord : vanwaar de naam ‘Leireken’ ?
Een andere treinlijn krijgt toch ook geen speciale benamingen toegediend ?

Wel, over het ontstaan van de naam bestaan verschillende theorieën.

- Eén ervan komt uit de oorlogsjaren, en meer bepaald uit ‘Het Opwijksch Klokske’, een blad van de KSA studentenbond, van 14 juni 1945.

Tijdens de oorlogsjaren zou er in het station van Aalst een wachter van het Deutsche Reichsbahn personeel geweest zijn, aan wie het vaak opgevallen was dat de trein Londerzeel-Aalst heel vaak leeg aankwam.
Bij het binnenrijden van de trein meldde hij dan ook aan zijn oversten : “Chef, der Leere ist soeben arriviert’ (= ‘de lege’ is zonet aangekomen’) en van die ‘Leere’ naar ‘Leire’ is natuurlijk maar een heel klein stapje.
Dat is één theorie maar een beetje diepgaander onderzoek wijst uit dat deze eigenlijk volledig te negeren is. De naam ‘Leiren’ bestond immers al van voor de oorlog (in 1935 sprak men al van ‘Lêreken’ en ‘Lerreken’) en de bewuste trein zou tijdens de oorlogsjaren zelfs niet kunnen rijden hebben wegens … opgebroken sporen …
Ook de bewering dat de bewuste trein bijna geen passagiers zou gehad hebben is volledig uit de lucht gegrepen want iedereen die ietwat bekend is met de ‘gebruycken ende costuymen’ en ‘den praktische zin van het volk onzer streken’ weet dat de reizigers op deze (en andere lijnen) meestal onder de banken lagen. In de winter om zich te verwarmen aan de buisleidingen en in de zomer om zich te beschermen tegen de hitte.  
Ziezo, de eerste theorie is hiermee volledig weerlegd.

- Volgens architect Gustaaf Goossens zou de naam eenvoudig te verklaren zijn doordat de directeur van de onderneming die de spoorweg aanlegde Valère heette, maar ook dat lijkt niet te kloppen.

- Dat het wel degelijk over de naam ‘Valère’ zou gaan, bevestigen ook nog andere visies, onder andere deze die zegt dat Valère de naam was van de man die op een hoeve woonde in de buurt van de overweg. Na een aanrijding tussen een trein en een kar met twee paarden duidde men de plaats van het ongeval aan als ‘aan de Leire’.
Ook deze ‘verklaring’ is te weerleggen, want waarom zou men zo een lang traject vernoemen naar één enkele persoon die toevallig aan het traject woonde?

- Zo zijn er nog wel enkele tientallen verhalen terug te vinden, maar de meest aanvaardbare is wel het verhaal van Maria Van Assche. Deze dame, geboren en getogen in Londerzeel (°1911) liet in ‘De Asschenaar’ in 1992 hierover het volgende neerschrijven.

'In de oertijd van Leireken (voor en rond de eeuwwisseling) was het meestal dezelfde machinist die de locomotief bediende en hij beschouwde het stoomtreintje zowat als zijn persoonlijke eigendom.
Zijn naam was... Valère (ofte Valeir).
Aan een onbewaakte overweg werd mettertijd dus niet meer geroepen: "opgepast de trein komt af" maar, "Pas op, Valeir is daar!"

Het treintje werd hierdoor meer en meer vereenzelvigd met de machinist en zo geraakte de benaming stilaan in algemeen gebruik. Van Valeir werd het "Leire is daar”, en het daarvan afgeleidde verkleinwoordje had zowel betrekking op de kleine gestalte van de populaire man als op het stoomtreintje zelf.


De eigenlijke geschiedenis van ‘het Leireken’ is er eigenlijk een van een spoorlijn die er nooit is gekomen.

In 1863 vroegen Henri Joseph Van Ruyssevelt & Compagnie uit Antwerpen een concessie aan voor de aanleg én de exploitatie van een spoorlijn tussen Denderleeuw en Lier. Het was de bedoeling om hiermee de steenbakkerijen aan de rechteroever van de Rupel te kunnen bedienen. Dit werd echter een nooit uitgevoerd plan.

In hetzelfde jaar werd de tol die Nederland hief op het verkeer op de Schelde definitief afgekocht door de Belgische regering. Dat creëerde natuurlijk nieuwe mogelijkheden voor de groei en de bereikbaarheid van het achterland waarbij het vervoermiddel bij uitstek, naast de binnenvaarschepen, de stoomtrein leek te zijn.

Op 14 maart 1864 sloot de Belgische regering, die op dat ogenblik zonder geld zat, een overeenkomst met welstellende particulieren om een spoorwegverbinding aan te leggen en te exploiteren tussen Antwerpen en het Noord Franse Douai, dat op dat moment een heel belangrijke industriestad was.

In de iets later gewijzigde plannen waren twee belangrijke aftakkingen voorzien. De eerste van het nieuwe naar het oude station van Kontich, een tweede vanaf een plaats ergens tussen Malderen en Aalst naar Denderleeuw.
Ook was er een spoorlijn gepland die van Dendermonde via Baardegem en Asse naar Brussel zou gaan.

Natuurlijk zag Aalst het helemaal niet zitten dat er een aftakking zou komen naar Denderleeuw, want waarom zouden de internationale treinen uit Antwerpen dan nog via onze stad passeren als ze ook een kortere weg via Denderleeuw kunnen nemen.

Na heel wat discussies, ‘riezje en krakkiejl’, werd begin 1871 uiteindelijk besloten om naar het allereerste plan terug te keren, namelijk een lijn vanuit Antwerpen-Oost richting Kontich, Boom, Malderen, Opwijk en Aalst.
Een plan dat dan in 1873 toch nog lichtjes gewijzigd werd : de lijn zou vertrekken vanuit Antwerpen Zuid in plaats van Oost.

Hoewel het definitieve tracé pas door de wet van 26 juni 1877 zou worden goedgekeurd, werd,  waar het kon, al begonnen met de voorbereidingen en soms zelfs al met de aanleg van de latere lijn 61.

Op 7 september 1879 kon de Denderbode de blijde boodschap verkondigen: "De sectie Aalst - Opwyck is voltrokken; naar het schijnt, is de baan deze week door de ingenieurs van den Staat onderzocht en aangenomen. Men verzekert ons dat de opening op 15den Oktober zal plaats hebben".

En inderdaad, amper 11 dagen na de in het meest recente aanbestedingscontract voorziene datum was het eindelijk zover en was de sectie Aelst – Londerzeel van den 'ijzerenweg Antwerpen-Douai een feit.
De nieuwe linie, in werking vanaf 12 oktober, bediende de nieuwe statie van Moorsel.


Aan het reeds bestaande station te Londerzeel, op de lijn van Dendermonde naar Mechelen, werd een voorlopig gebouw opgericht, ‘ten dienste van reizigers en bagagie’.

12 oktober 1879 geldt dus duidelijk als enige échte openingsdatum van de spoorweg tussen Aalst en Londerzeel Oost, hoewel deze gebeurtenis pas twee weken later werd gevierd.

"Zondag 26 Oktober, zullen ter gelegenheid der opening van den ijzerenweg, luisterrijke feesten te Moorsel plaats grijpen. Het programma vermeldt onder andere ene grote muziekale feest waaraan verscheidene muziekmaatschappijen, waaronder onze Koninklijke Harmonie, zullen deelnemen. Om 8 uren zal er een prachtig vuurwerk worden afgeschoten. Daarna fakkeltocht met bengalsche vuren naar de statie door al de deelnemende Muziekmaatschappijen en verlichting des statiegebouws”.

Die zondagavond werd ook een speciale trein tussen Aalst en Londerzeel ingericht.
Deze vertrok ‘s avonds om 21 u. uit Aalst en zou in alles stations op de route gedurende 5 minuten halt houden. Onmiddellijk na de aankomst in Londerzeel, dat was ‘omtrent 10 u. 18 min. des avonds’ keerde men dan terug naar Aalst met stilstand te Moorsel.
 
Leireken 'type 53' in Moorsel
Lijn 61 heeft van in het begin altijd ‘mooie’ stations gehad.

Dat zo iets niet voor de hand lag blijkt uit het volgende artikel uit de Denderbode : "Als men langs den ijzeren weg reist, 't Is bijna gelijk langs welke lijn, men komt ene menigte kleine statietjes tegen, gebouwtjes van niet, klein, nietig, belachelijk. 't Gaat zo verre dat de statie soms deels ingericht is in oude versleten waggons. Als de mensen dat zien, natuurlijk dat zij hunne bemerking maken. Immers zo'n statietjes, dat is miserie en ongerievig men kan niet meer."

Het mag duidelijk zijn dat Aalst niet bij deze kleine, nietige, belachelijke stations zal horen.

Het station van Aalst was er reeds vanaf 9 juni 1853. Men heeft dus niet moeten wachten op de aanleg van ‘lijn 61’, maar dat is een ander verhaal natuurlijk.

Aalst had dus wel een station maar door het groeiende treinverkeer zou het gebouw al snel te klein worden. 
Het in gebruik nemen van de zeer belangrijke lijn van Antwerpen naar Douai zorgde immers voor een steeds maar drukker wordend spoorverkeer en dat had natuurlijk ook invloeden op het verkeer op de steenwegen Brussel-Gent en Aalst-Dendermonde. Deze ondervonden heel wat hinder door de vaak gesloten draaibarelen en spoorwegovergangen.
Ook de lokale verbindingen met Mijlbeek (over de St Annabrug) hadden hoe langer hoe meer te lijden van de vaak gesloten spoorwegovergangen. Een andere hinderpaal was daarenboven de lage draaibrug uit 1855 over de Dender, die vlak bij het reizigersstation gelegen was. In de periode van 1880 tot 1910 werden daar tussen de 4000 en 6000 scheepsdoorvaarten geteld per jaar, maar ook die brug was bij wijze van spreken meer dicht dan open. 

Burgemeester en volksvertegenwoordiger Victor Van Wambeke sprak op 27 april 1880 volgende gevleugelde woorden :

Sedert meer dan tien jaren heb ik de aandacht op de ontoereikendheid der statie van Aalst ingeroepen. Reeds in 1867, zegde ik aan den toenmaligen minister van openbare werken dat de statie van Aalst merkelijk moest vergroot worden.
Men erkende het met mij, maar heden nog wachten wij naar de zo betrachte verbeteringen. De statie van Aalst mag onder de statiën van eersten rang geteld worden en hare vergroting is dringend noodzakelijk. Deze statie bedient zes spoorwegliniën, der wijze dat zij een personeel van 150 oversten en bedienden telt. Verleden jaar ontving men bij de 850.000 Fr. De telegrammen ten getalle van meer dan 17.000 brachten ene som van bij de 12.100 Fr. op. Deze cijfers bewijzen het belang der statie van Aalst en tonen dat zij zonder uitstel moet vergroot worden. Een belangrijke kwestie voor ons is te weten op welke wijze de vergroting moet gebeuren."

De persberichten uit de jaren 1882 – 1912 puilden letterlijk uit van berichtgevingen die vroegen naar verbeterings- en uitbreidingswerken aan de spoorweginfrastructuur.
Het station voldeed duidelijk niet meer aan de behoeften op gebied van veiligheid en reizigerscomfort en zoals al vermeld zorgden de vele gelijkgrondse overwegen in de stad voor lange files en gevaarlijke verkeerssituaties.

In 1933 werd in de buurt een kleine loods met stoof en telefoon neergezet. Pas in 1945 werd deze gebetonneerd.
Onder de naam Mijlbeke-De Rozen werd hier vanaf 8 oktober een facultatieve stopplaats ingelegd. Het gerucht doet in de streek trouwens de ronde dat een plaatselijke politieker daar hard had voor geijverd. Op de foto hieronder het kruispunt met de Moorselbaan waar vroeger deze halte zich bevond.


De reiskaarten worden in de trein afgeleverd door den wachter,” liet de stationschef van Aalst op 9 oktober 1933 in de ‘Volksstem’ publiceren.

De slagbomen aan de overweg werden vroeger met de hand bediend. Aan iedere overweg woonde dan ook een zogenaamde ‘bareelwachter’ die de ‘barelen’ met de hand opendraaide telkens er een trein aangekondigd werd.
Langsheen deze specifieke route werd in Aalst de overweg aan de Moorselbaan van uit ‘de barak’ bewaakt.
Dit  ‘blokhuis’ werd reeds in de 19e eeuw gebouwd en deed tijdens de eerste wereldoorlog ook dienst als een bijkantoor voor de politie van Aalst.
Deze typische huizen, die we ook elders langsheen de spoorlijnen vinden, werden ter beschikking gesteld door de NMBS.

Hierbij een foto van dit blokhuis van de bareelwachter, Moorselbaan 454 (anno 1978)


Behalve door mensen uit Moorsel zelf, werd de lijn vooral door de bewoners van de Moorselse wijken ‘Reiger’ en ‘Drezzel’ gebruikt. In feite was deze halte niet veel meer dan een sintelkaai en daarom zijn er wellicht geen foto’s van bewaard gebleven.
Deze stopplaats zou tot in 1976 behouden blijven.

Het tracé van de spoorlijn is daar trouwens nog steeds duidelijk merkbaar in zuidwestelijke richting, waar het achtereenvolgens de Langestraat, de Bergekouter en de Albertlaan snijdt, om uit te monden nabij het huidige goederenstation.

De specifieke ligging van het eerste station tegen het water, maakte een modernisering of vergroting niet mogelijk en in plaats van te kiezen voor een nieuw en groter complex werd na heel wat gepalaver beslist om het reizigers- en het goederenverkeer van elkaar te scheiden.

Uiteindelijk werd op 1 augustus 1889 aan de Bergemeersen een splinternieuw goederenstation geopend. Om spraakverwarring te voorkomen werd vanaf die datum het goederenstation ‘Aalst-Oost’ genoemd en werd het reeds bestaande station ‘Aalst-Noord’.
Aalst Oost
Vanaf dat ogenblik mochten in Aalst-Noord enkel nog kleine goederen gelost en geladen worden.
De goederenlocomotieven die er om toch moesten zijn om water te komen inslaan, moesten hun wagons met zwaardere koopwaar in de Ooststatie achterlaten en konden dan binnenrijden in ‘Noord’

De goederen die toch bestemd waren voor Aalst-Noord werden met lokale treinen in Aalst Oost opgehaald … bezie het als een soort van ‘interne postbedeling’.

Op 1 november 1892 werden een publieke opslagplaats en een douanekantoor aan het goederenstation toegevoegd.
De bouw van een apart goederenstation en de ontdubbeling van het goederen- en reizigersverkeer hadden weliswaar een tijdelijke verbetering van de drukte in het station Aalst-Noord zelf tot gevolg maar een echte oplossing voor de gevaarlijke situaties in en rond het station brachten deze maatregelen uiteraard niet.
Eind 1893 vond er dan ook een grootschalig onderzoek plaats waarbij de hele verkeerssituatie in Aalst grondig werd geëvalueerd en besproken …

Ten einde het gevaarlijke punt der IJzerenbrug voor de grote internationale treinen te vermijden, moet men de baan aldaar rond de 5 meters verhogen..., er gaat daar ene verandering komen die dit deel der stad gans hervormen zal.

Ook het reizigersstation diende een hervorming te ondergaan omdat men om de trein te kunnen betreden tussen de 4,5 en 5 meter hoogte zou moeten klimmen.
Uiteindelijk zouden deze aangekondigde werken niet voor 1900 beginnen.
Het jaar daarop, in 1901, werd ook de ophoging van ‘onze’ Lijn 61 in het centrum van Aalst aangepakt.
Ruim twee jaar later waren de grootscheepse werken in Aalst echter nog steeds niet veel opgeschoten. 

Ofschoon de heer Helleputte (die later minister zou worden) in 1903 duidelijke politieke taal gebruikte, oordeelde volksvertegenwoordiger Leo de Bethune om op 17 februari 1904 nogmaals aan te dringen op het feit dat de spoorlijn in de richting van Moorsel insgelijks verhoogd moet worden ‘voor het inrichten van ene laan, waarvoor de stad Aalst ene overeenkomst heeft met de ministeriën van openbare werken en van spoorwegen’. Hij vraagt ‘den heer minister de uitvoering van dat werk te bespoedigen.’


Haast en spoed is zelden goed, men nam deze goede raad zeker ter harte, en dus zou de ophoging van lijn 61 pas eind 1907 gebeuren.

De nieuwe spoorwegbrug over de Dender, die de oude draaibrug verving, en de verhoogde station perrons raakten pas in 1908 afgewerkt.
De langdurende werken hadden inmiddels ook een vrij hoge tol aan menselijke leed geëist.

In April 1909 is er te lezen : “De treinen der lijn Dendermonde zullen, te beginnen van 19 dezer lopende maand April, dus Maandag aanstaande, op het verhoogde gedeelte der statie vertrekken en aankomen.
Het zal dus hoogst nodig zijn dat de reizigers naar voormelde richting ten minste tien minuten voor het vertrek van den trein hunne reiskaart nemen. Opgepast dus wil men niet te laat komen!

Over te laat komen gesproken : amper twee weken later (in de Denderbode van 2 mei 1909) staat zowaar vermeld : “Al de treinen zullen met den vierden Mei aanstaande op het verhoogde gedeelte der statie aankomen en vertrekken. De eerste treinen zullen zijn: Nr. 476 : aankomende om 11u45m van Antwerpen-Zuid. Nr. 3028 : aankomende om 11u45m van Gent. Nr. 3027 : aankomende om 11u51m van Brussel. Het is hoogst nodig dat de reizigers goed in acht nemen dat het opstappen moet gebeuren langs den kant waar de kaai ligt.

In de loop van de laatste week van april 1909 werden twee locomotieven van 12.000 kg. op de nieuwe Denderbrug geplaatst. Men constateerde slechts een kleine verzakking van 7 millimeter daar waar het tot 15 millimeter zeker nog veilig was.

De sporen op de oude spoorwegbeddingen verdwenen in de tweede helft van 1909 en zo kreeg Aalst dan uiteindelijk toch waar het zo lang had moeten naar vragen.
Het spoorverkeer was nu duidelijk van het wegverkeer gescheiden en de hinderlijke 19de eeuwse draaibarelen konden door een spoorwegoverbrugging en maar liefst zes doorgangen vervangen worden.

Toen kwam ‘Den Grooten Oorlog’

Op 4 augustus 1914 viel het Duitse leger België binnen.
Tot einde september lag de spoorlijn nagenoeg op de frontlijn van de aanvallen op de Antwerpse forten en was ze dan ook herhaaldelijk het toneel van aanvallen en tegenoffensieven, met elke keer belangrijke schade als gevolg.
Op 2 september ook werd Opwijk met een Duitse inval geconfronteerd. De bijzondere opdracht luidde: ‘het saboteren van het aldaar gelegen spoorwegkruispunt Antwerpen-Aalst en Brussel-Dendermonde’.

Het Belgische leger probeerde om het de Duitsers bij hun verwachte aanval op het noorden zo lastig mogelijk te maken en op 12 september 1914 werd deze intentie onder meer in praktijk gebracht door de Belgische Genie die de nieuwe ijzeren spoorwegbrug over de Dender in Aalst opblaasde.


Door de verschrikkelijke slag werden bijna alle woningen en fabrieken in de omtrek zwaar gehavend en de Aalstenaars waren natuurlijk nogal onder de indruk van dat machtsvertoon.
In die mate zelfs dat het stadsbestuur er aan dacht om de regering een brief te sturen met de vraag of het in het vervolg ook niet met een beetje minder kon en om vooral geen dynamiet maar acide te willen gebruiken.
Ondanks de hevige knal en de grote schade in de buurt was de spoorwegbrug zelf slechts voor de helft verwoest. 2 dagen later, we schrijven dan 14 september, werd het werk nog eens overgedaan … grondig dit keer … en opnieuw met dynamiet.   

Van zodra ze ergens een gebied volledig onder controle hadden, begonnen de Duitsers het voor hen nuttigste deel van de vernielde spoorweginfrastructuur zo snel mogelijk te herstellen voor eigen gebruik, maar op donderdag 5 november stortten ook de verwrongen resten van de Denderbrug te Aalst in het water waardoor, naast het treinverkeer, ook de scheepvaart onmogelijk werd.

De Duitse bezetter begon dan maar onmiddellijk zelf met het opruimen en ook met de reparatie van de brug om hun strategische plannen niet letterlijk in het water te zien vallen.
Aangezien ze wel agressief maar niet dom waren lieten ze ook de Belgen meewerken en zo kwam het dat reeds op 9 december 1914 opnieuw een locomotief met 1 wagon over de rivier kon rijden.
De nieuwe brug hing evenwel 22 centimeter lager dan de voorgaande en dus konden enkel geladen schepen er nog onderdoor varen.
Het was wachten tot in de tweede helft van februari 1915 vooraleer nieuwe werken begonnen om een nieuwe (definitieve) spoorwegbrug over de Dender aan te leggen. De St Annabrug werd opengedraaid voor de schepen want zelfs ongeladen konden ze de brug niet meer onder. De Duitsers, die toen ook de sassen herstelden, hebben toen ook meteen ook de brug verhoogd zodat de scheepvaart terug zijn gang kon gaan.

Behalve in Ramsdonk (het vrijmaken van de opgeblazen doorgang onder de lijn Mechelen-Dendermonde), in Hoboken (het herstellen van de schade), en in Aalst (in mindere mate) hebben de Duitsers eigenlijk nooit veel moeite gedaan om lijn 61 in ere te herstellen.
Het traject Londerzeel-Antwerpen werd tijdens de oorlog zeker nog vrij regelmatig gebruikt voor goederenvervoer maar tussen Aalst en Londerzeel reden toen al geen of haast geen treinen meer.

Op dat laatste deel van Leireken, de sedert 20 augustus 1914 niet meer gebruikte spoorlijn tussen Aalst en Londerzeel, werden - althans tussen Opwijk en Londerzeel – de sporen uitgebroken.
Tussen Aalst en Opwijk werd de lijn in 1918 buiten gebruik gesteld en nadien ook opgebroken.

Uit De Volksstem van 30 november 1919: “In den loop van’t jaar, zijn, herhaalde pogingen aangewend om het herleggen te bekomen der spoorlijnen Aalst-Burst en Aalst-Moorsel-Opwijck. (...)
Het herleggen der lijn Aalst-Moorsel-Opwijck zal aangevangen worden en zo spoedig mogelijk afgemaakt.
Naar wij vernemen zijn er reeds riggels en balken te Aalst toegekomen voor de lijn Aalst-Moorsel.”

Nadat de Duitsers verdreven waren, werd Leireken in zijn vroegere glorie hersteld.

Na de heraanleg en wederopenstelling in 1920 werd lijn 61 echter al snel verlieslatend. Diverse tariefverhogingen konden daar bitter weinig aan verhelpen want de spoorweg had enkel nog maar een regionaal belang.
Ook de rechtstreekse verbinding van Antwerpen-Zuid met Boom via Hemiksem, Hoboken, Schelle en Niel boette sterk aan belangstelling in.

De NMBS nam de uitbating van de weinig rendabele stations over vanaf 1 september 1926 en ook de weinig rendabele lijnen kwamen onder vuur te liggen.
Reeds in 1931 werd de ondertussen sterk vereenvoudigde treinverbinding tussen Aalst en Opwijk door een autobusdienst aangevuld, maar tot een afschaffing van onze spoorlijn kwam het voorlopig niet.  Als gevolg hiervan vielen de stationschefs langs lijn 61 wel één na één weg.

Met uitzondering van Moorsel en Opwijk werden zij niet meer vervangen, aan de loketten werden geen coupons meer uitgereikt, enkel nog abonnementen. Het schrijven van reisbewijzen werd vanaf dan aan de treinwachters overgelaten.

Hieronder een foto van de dienstregeling in 1933


In 1939 werd de splitsing van de lijn nog duidelijker wanneer ook de lijnnummers veranderden.
Aalst-Londerzeel mocht voortaan het nummer 62 dragen. Het gedeelte Londerzeel - Boom behield het nummer 61. Men diende niet meer in Londerzeel over te stappen, de meeste treinen reden nu tussen Aalst en Boom.

Toen kwam WO II

Leireken, hoewel het ook een militair traject was dat aan de Belgische Spoorwegen was verpacht, heeft niet echt een heldenrol gespeeld bij de verdediging van ons land.

In "Aalst, mei 1940" van Jos Ghysens, is het volgende verslagje te lezen:

"Zaterdag 18 mei - Zeer vroeg in de morgen stonden de Belgische en Engelse vernielingsploegen klaar. (...) Als klap op de vuurpijl vlogen met enorme knallen de Zwarte Hoek-, St.-Anna- en Zeebergbruggen en de 'IJzeren Spoorwegbrug" de lucht in.
Op de laatste stonden spoorwegwagons die, samen met het brugdek, schots en scheef in het water zakten”.
 
Vernielde bruggen in Aalst
detail vernielde Zeebergbrug
Het was om de opmars van het Duitse leger tegen te houden dat het Belgische leger besloot om deze bruggen zelf te dynamiteren.
Op de foto hieronder zien we Duitse troepen die de Dender  met rubberboten oversteken naast de door de Belgische genietroepen opgeblazen spoorwegbrug. 

Gedurende de eerste oorlogsjaren bleef het op en langs Leireken eigenlijk relatief rustig.
Echt belangrijke militaire goederentransporten via Lijn 61 waren eerder zeldzaam en dus waren de treinen ook niet echt prioritaire doelwitten.
Wat toen wel vaak voorviel was dat burgers ‘s nachts regelmatig de goederenwagons die in Opwijk op een rangeerspoor stonden gingen ‘bezoeken’ om er zich te ‘bevoorraden’. Vooral steenkool was natuurlijk erg gegeerd.

Zaten de treinen in de ochtend- en de avondspits afgeladen vol, dan was gedurende de dag het openbaar vervoer tijdens de oorlogsjaren bijna onbestaande. Vanaf 1944, en vooral na de landing van de geallieerden in Normandië, werd de spoorlijn wel regelmatiger het doelwit van aanslagen door het verzet.

Het treinverkeer van lijn 61 kreeg het moeilijk in de naoorlogse periode … Men kon het nog wel tot in het begin der vijftiger jaren rooien maar kreeg het toen zeer moeilijk door de opkomst van het auto- en busverkeer.

Op 2 juni 1957 werd de reizigersdienst op lijn 61 afgeschaft.
Eén dag eerder reed de laatste officiële reizigerstrein van Baardegem naar Opwijk.

De spoorlijn Leireken stierf dus geen plotselinge maar wel een zeer langzame dood.
Het écht definitieve einde werd door het opbreken van de laatste sporen bezegeld.

Het was verkeersminister Jos Chabert die het plan lanceerde om op de beddingen van afgedankte spoorwegen fietspaden aan te leggen.
Het lag oorspronkelijk in de bedoeling dat men nog tijdens de vakantie van 1976 met de asfaltering kon aanvangen maar het was echter reeds voorjaar van 1977 toen de werken in Merchtem aangevat werden.

Dit is hoe de situatie er in 1976 uitzag op het Brabantse en Oost-Vlaamse deel van lijn 61:

- op dat ogenblik lag er nog steeds een stukje spoor tussen het station van Opwijk en Moorsel.

Hier bevond zich vroeger het station van Moorsel

- tussen Moorsel en Aalst was de bedding reeds weggemoffeld in verkavelingen en was slechts hier en daar nog een stukje terug te vinden tussen de villa's.
- ten oosten van Opwijk was het vroegere traject van het spoor nog volledig intact en het bleef in de streek dan ook nog voortleven als 'het Leireken'
- in het centrum van Aalst en tussen Mijlbeek en Moorsel was de oude spoorwegbedding weliswaar eerder aangekocht door de stad (of door de vroegere fusiegemeente) maar sommige delen waren ondertussen al verkaveld.
- tussen het voormalige station van Moorsel en Baardegem was de site nog eigendom van de NMBS.

Op dit laatste traject ontwikkelde zich na oktober 1976 een waardevolle biotoop (volgens de milieuverenigingen en volgens de dienst Leefmilieu van de stad Aalst, die er een natuurleerpad op aanlegde). Volgens anderen ging het over een echte wildernis.

Op 30 september 1978 werd het fietspad tussen Opwijk en Steenhuffel feestelijk geopend.

In Aalst verliep de samenwerking onder de bevoegde instanties niet echt vlot en werd er in 1982 op eigen initiatief van de stad enkel een stukje fietspad tussen 'De Rozen' en de Albrechtlaan te Mijlbeek aangelegd.
De ‘kwestie Leirekensroute’ kwam in de loop van de daaropvolgende maanden in de ajuinenstad vrij vaak ter sprake.
Tijdens de vergaderingen van 8 december 1983 en 16 januari 1984 opperde de Adviesraad Leefmilieu bezwaren tegen de verdere asfaltering van het pad maar in het naburige Opwijk had men ondertussen ook al van de in Aalst gerezen problemen gehoord en daar werd tijdens de gemeenteraadszitting van 29 november, op initiatief van de Sportraad (en onder impuls van de familie Robijns) eenparig besloten om ‘bij het stadsbestuur van Aalst met aandrang te vragen naar de verdere verharding van de Leirekensroute’.

En het had effect : in het najaar van 1985 werd door het Ministerie van Openbare Werken op het grondgebied van onze stad inderdaad een nieuw stuk fietspad aangelegd.

Het ging over het traject tussen het Aalsterse nieuwe zwembad en de Moorselbaan. 
Hierbij een foto van het fietspad langs de zwembadlaan. 


Volgens toenmalig schepen van openbare werken Anny De Maght zou het traject tussen de Moorselbaan tot aan de grens met Opwijk in de loop van 1987 uitgevoerd worden door de Dienst Bruggen en Wegen van het Ministerie van Openbare Werken.
Dit fietspad zou twee meter breed worden terwijl er voor een maximale bescherming van de zijbermbeplanting gezorgd zou worden.

Het gedeelte tussen de Moorselbaan en Moorsel en tussen Moorsel en Baardegem (toen nog eigendom van de NMBS) bleef voorlopig liggen. Het ministerie van Openbare Werken had, vooraleer het fietspad verder af te werken, immers als voorwaarde gesteld dat de stad Aalst vooraf ook eigenaar van de overblijvende grond zou worden.

Vanaf dan raakte, ondanks alle goede intenties, de verdere verharding van de spoorwegbedding richting Opwijk volledig in de knoei.
Er stelden zich een drietal belangrijke problemen; centen, centen en centen.

Centen, ten eerste om de bedding te kunnen aankopen van de NMBS, en nog meer centen om er dan ook effectief een fietspad aan te leggen.

Vanaf begin 1985 werd ‘Leireken’ een uitermate belangrijke politieke zaak.
De familie Robijns (Roger, Maria (CVP-schepen in Opwijk) en dochter Marie-Claire) uit Opwijk liet niet na om de politieke wereld, bij elke gelegenheid die zich voordeed, dienaangaan te interpelleren.
Uiteindelijk waren alle betrokken partijen wel van goede wil en zagen ze de aanleg van een fietspad zeker wel zitten, maar in 1989 kwamen de milieuverenigingen in het verweer tegen de aanleg van een verhard, geasfalteerd fietspad.
Ze kregen hierbij echter geen steun van de bevolking van Baardegem en ook in Moorsel deelde men deze mening hoegenaamd niet. De milieuverenigingen stonden dus eigenlijk wat alleen in hun strijd en dienden zich dan ook neer te leggen bij de beslissingen.

Op 23 april 1989 ondernam de vzw Leireken uit Steenhuffel een fietsmanifestatie naar Oost-Vlaanderen om de aanleg een beetje te bespoedigen.

In Baardegem, Moorsel en Aalst werd zonder probleem erkend dat het die fietsmanifestatie geweest is die de vergeten plannen om Leireken tot in Aalst te verharden nieuw leven heeft ingeblazen.
De actie van de Steenhuffelnaren heeft zowel de burgers als de beleidsvoerders in het Aalsterse wakker geschud, en de vlam die sedert 1985, althans naar de buitenwereld toe, op een laag pitje had gestaan, leek inderdaad opnieuw wat aangewakkerd.

In de schoot van de CVP-sectie van de Aalsterse deelgemeente Moorsel (die ook de afdeling Baardegem omvatte) werd, nadat Maria Robijns in september 1989 om steun had verzocht, een actiegroep in het leven geroepen.

Onder leiding van voorzitter Fred Van Biesen werd een actieprogramma uitgewerkt dat uit drie luiken bestond:

• Een fietstocht van Moorsel naar Steenhuffel om de zin of onzin van een fietspad aan te tonen.

Leireken, richting Moorsel

• Een geleide natuurwandeling tussen Moorsel en Baardegem om kennis te maken met het nog niet door fietstoerisme aangetaste natuurschoon.

• Een afsluitende hoorzitting met voor- en tegenstanders van de fietsroute teneinde een definitieve stellingname naar de overheden te kunnen sturen.

Er kwam schot in het dossier en ondertussen ging het politieke lobbyen in Opwijk, Merchtem en Londerzeel gewoon verder, daarin gesteund door onder andere de Sportraad van Opwijk , de KVLV en KAV.
In zitting van 8 april 1991 besloot de gemeenteraad van Opwijk om nogmaals bij de bevoegde overheden aan te dringen om, tussen de grens van Opwijk en de Stationsstraat van Moorsel een fietspad aan te leggen met maximaal behoud van de bestaande fauna en flora.

Begin februari 1993 werd het gedeelte tussen Aalst en de Moorselbaan dan eindelijk geasfalteerd en de tweede fase – van de Moorselbaan naar het (verdwenen) station van Moorsel (lengte bijna 2 km) - werd gestart.

Milieuvereniging Raldes vroeg voor de Raad van State op 1 april 1993 de schorsing van de aanleg van de tweede fase omdat zij bij verdere uitvoering van de werken haar taak als ecologisch beschermer niet langer zou kunnen uitvoeren en omdat de ambtenaar die de vergunning had afgeleverd geen rekening had gehouden met de biologische waarderingskaart.
Bij de sympathisanten van het fietspad daarentegen deed in deze periode (april) het gerucht de ronde dat Raldes uiteindelijk zijn toevlucht zou nemen tot het laten ‘klasseren’ van het natuurgebied tussen Moorsel en Baardegem.

27 mei 1993: De tweede fase van de aanleg van Leirekensroute is ondertussen afgewerkt en oefent meteen een grote aantrekkingskracht uit op fietsers en wandelaars. Toch zijn er nog wat schoonheidsfoutjes.
Zo hebben bijvoorbeeld een aantal langs de route wonend gezinnen de uitrit van hun garage naar het fietspad verlegd waardoor auto's, snelle bromfietsen en galopperende paarden er geen zeldzaam fenomeen waren.

De stad Aalst beloofde meteen hiertegen op te treden en ging niet meer in op de vraag van verschillende buurtbewoners om een stuk grond langs Leirekensroute aan te kopen.
Langs het fietspad zou ook een groenstrook aangelegd worden.
De werken van de tweede fase waren zo vlot verlopen dat er … (jaja) geld over was.
Met dat geld wou het Vlaamse gewest de 400 meter fietspad aanleggen tussen de grens met Brabant (Opwijk) en het station aan de Heirbaan in Baardegem.

In juli 1993 dient het ministerie van Openbare Werken van de Vlaamse Gemeenschap hiertoe een bouwaanvraag in met de belofte dat het natuurleerpad (tussen Baardegem en Moorsel) hierdoor buiten schot zou blijven.
Tijdens de gemeenteraad van midden september 1993 was iedereen het er over eens dat de voltooiing van de Leirekensroute een goede zaak zou zijn.

De milieubewegingen hadden het wel moeilijk met de aanleg van de derde fase, maar de veiligheid van de schoolgaande jeugd werd uiteindelijk het doorslaggevende argument om tot de uitvoering van dit fietspad over te gaan.

De stad Aalst zou echter geen bouwvergunning afleveren indien de verharding niet in dolomiet in plaats van asfalt zou aangelegd worden... Een detail ? In elk geval diende de CVP-afdeling van Opwijk hun akkoord te geven over het gebruik van dolomiet in plaats van asfalt. Zij deden dit, maar enkel indien de garantie kon gegeven worden dat er ten allen tijde behoorlijk kon op gefietst worden.

Na dit akkoord gaf onze stad een positief advies, evenwel dus met ‘op papier’ de voorwaarden gekoppeld dat de fietsroute langsheen het natuurleerpad niet in asfalt maar in dolomiet zou worden aangelegd, dat de werkzone tot 3 meter beperkt zou blijven, dat er geen begroeiing gerooid (snoeien mocht) zou worden én dat de stad controle op de werken zou kunnen uitvoeren.

Het natuurleerpad Leireken kreeg uiteindelijk, ondanks het eerdere engagement van het Aalsterse stadsbestuur, toch een asfaltlaag in plaats van een verharding met dolomiet. De werken zouden, als de stad op dolomiet bleef aandringen, immers té veel vertraging oplopen en burgemeester De Maght verduidelijkte dat verder protest de werken niet alleen op de lange baan zouden schuiven maar dat op die manier het subsidiedossier ook zou vervallen.

Het sluitstuk, Moorsel - Baardegem, werd door de aannemer Stallaert aangepakt in mei en zo kon vanaf 5 juli het fietspad al bereden worden. De definitieve asfaltlaag volgde na het bouwverlof  op 22 augustus.

Hiep Hiep Hoera dus voor iedereen en in het bijzonder voor Roger en Maria Robijns die hierdoor hun levensdroom eindelijk gerealiseerd zagen. Londerzeel, Steenhuffel, Merchtem, Opwijk, Baardegem en Moorsel waren zeer tevreden.

16 jaar na de opening van het eerste gedeelte van het Leirekensfietspad en 115 jaar na de feestelijke inhuldiging van Lijn 61 drongen nieuwe festiviteiten zich dus op.
Weliswaar hadden al duizenden fietsers zichzelf op een avant-premiere getrakteerd en stuurde de Vzw Leireken ter gelegenheid van haar 9de Happening op 21 augustus al duizenden fietsers naar Aalst, toch was het voor iedereen duidelijk dat iets waar men zo lang op had moeten wachten een betere inhuldiging verdiende.

Op zondagochtend 11 september 1994 fietste en wandelde het Aalsterse schepencollege het sluitstuk Moorsel-Baardegem in.
Aan het oude station van 'Baerdeghem" werd het lintje doorgeknipt en burgemeester Anny De Maght dankte er het Bestuur der Wegen en de NMBS voor de geboden faciliteiten voor de realisatie van het fietspad.
Hier een foto van het oude station van Baardegem : 


De stad kon - tenminste als ze betaalde - met de NMBS een concessie aangaan voor het gebruik van de oude spoorwegsite.
De openstelling van het ganse traject van Leireken als fietsroute werd gevierd in het bijzijn van niemand minder dan premier Jean-Luc Dehaene en minister Jos Chabert.
Het fietspad Leireken heeft als pilootproject zeker furore gemaakt en mag gerust één van de parels van de fietsrecreatie in Vlaanderen genoemd worden.

In 2010 werd dit alles nog eens bekroond met het feit dat de Leirekensroute vanaf dan volledig ondersteund wordt door het fietsknooppuntnetwerk.
Om van Aalst naar naar Steenhuffel te gaan volg je volgende knooppunten :

34  >  41  >  44  >  45  >  50  >  48  >  49  >  21  >  61 


Bij het nummer 61 ben je aangekomen in Steenhuffel, waar het oude station de thuisbasis is geworden van de vzw Leireken.


Daar aangekomen kan je trouwens nog deze in 1935 in La Cruyere gebouwde 'K'-wagen bewonderen.


In de betrokken gemeenten – zowel door de overheid als door privé-initiatief – wordt er ook alles aan gedaan om het ‘pareltje’ ook in de toekomst zo te houden.
Groendiensten, scholen, jeugd- en natuurverenigingen hebben het fietspad door diverse aanplantingen aanzienlijk verfraaid en zorgen voor bescherming en ecologisch verantwoord onderhoud. Daarnaast werd en wordt er vooral ook aan de veiligheid van de fietsers gewerkt.
Zo kwamen of komen er verkeersplateaus op de plaatsen waar Leireken een verkeersweg kruist.

In Aalst kregen De fietsers op de Leirekensroute in elk geval voorrang op alle kruispunten met gemeentewegen op het grondgebied Aalst. Daarom kregen verschillende kruispunten een likje rode verf.
Uit onderzoek bleek immers dat op de Leirekensroute het fietsverkeer met maar liefst 26% gestegen was ten opzichte van 2016.
Deze inspanningen en reglementeringen echter ten spijt, blijven deze kruispunten gevaarlijke plaatsen.


Op 1 mei 2020 nog kwam op het kruispunt van de Leirekensroute en de Steenweg op Dendermonde een 16-jarige fietser om het leven bij een aanrijding. De roep om nog meer veiligheid langsheen het traject werd steeds maar groter.
Er werd al overlegd over de maatregelen voor een veiligere inrichting van de oversteekplaats, maar op het terrein zelf was daarvan, buiten een kleurtje op de grond, niet veel te zien. Vrijwilligers van de Fietsersbond Opwijk plaatsten daarom zelf waarschuwingsborden. 
Ze hoopten natuurlijk dat deze tijdelijke maatregel snel zal worden vervangen door een definitieve oplossing.

Nog steeds wordt er hard gewerkt om de fietsers een aangename route te bezorgen en Leireken blijkt dus niet enkel een interessante geschiedenis te hebben, maar ook nog een beloftevolle mooie toekomst.

Op dit moment begint de route in Aalst en eindigt ze in Steenhuffel, even voorbij Bistro Leireken. Het is de bedoeling de route in eerste instantie door te trekken langs haar oorspronkelijke bedding tot aan het station van Londerzeel en vervolgens van daaruit naar Ramsdonk, het station in Kapelle o-d Bos en nog verder via Hombeek tot Mechelen.
De Gemeente Londerzeel is in elk geval al akkoord met de verlenging volgens het oude tracé en de Gemeente Kapelle o-d Bos heeft inmiddels al een nieuw fietspad aangelegd tussen Ramsdonk en het station van Kapelle o-d Bos. Momenteel wordt er door de werkgroep verder onderhandeld met Kapelle o-d Bos en Mechelen over de doortrekking.

Een groot stuk van de route is ondertussen al meer dan 40 jaar oud, wat vrij lang is voor een dergelijke route, en op heel wat plaatsen is er dan natuurlijk ook scheurvorming ontstaan of zijn er hinderende putten of oprukkende boomwortels…
Daarom is er met alle partners afgesproken dat er een volledige heraanleg zal uitgevoerd worden.

Het gaat over een verbreding van de route conform de subsidiëringsnormen van Vlaanderen, hetzij 4 meter breedte. Het studiebureau heeft de route per gemeente ingedeeld in verschillende deeltrajecten. Voor elk gemeente werd onderzocht hoe het tracé van Leirekensroute het best wordt heraangelegd en daarbij wordt veel aandacht geschonken aan het behoud van de ‘Groene Corridor’.
Als er toch bomen zouden sneuvelen dan volgt een herbebossing

Er worden plannen gesmeed voor een heuse ‘fietssnelweg’ tussen Opwijk en Londerzeel, waarbij er in principe geen enkele weg met gemotoriseerd verkeer mag gebruikt worden.
Het inrichten van de F27, zoals de fietssnelweg zal heten, lijkt net door deze regel een heel moeilijk te ontwerpen plan zijn. Men zou hiervoor immers ook straten moeten herinrichten en omvormen tot fietsstraat.

… Het wordt dus nog spannend …

Op 23/11/2020 werd bekend gemaakt dat het ontwerp voor een stuk fietssnelweg tussen Bergekouter en Beugemstraat (ongeveer 3 kilometer) klaar is. De keuze van de ontwerper gaat uit naar een fietsweg in asfalt, met een breedte van 4 meter. Er zal verlichting voorzien worden langs de weg zelf en ook op de kruispunten. Om het ecologisch evenwicht niet te verstoren, zal tussen het Mijlbeekbos en de open ruimte geen verlichting komen. 

Op de plaatsen waar de fietsroute de autoweg kruist, zal de fietser zo veel mogelijk voorrang krijgen op het overige verkeer, en dit door het plaatsen van verkeersplateaus, gekleurde asfalt en een middeneiland op het fietspad.

Er werd voor gekozen om zeker het 'groene karakter' te behouden en waar mogelijk zelfs nog te versterken. 
De werken startten in 2021 en de kosten worden geraamd op 700000 €. 

In Augustus 2021 werden in elk geval al de werken aan een fietserstunnel onder de Moorselbaan beëindigd, wat zeker al een mooie verwezenlijking is in de stap naar het volledig 'fietsbaar' maken van het volledige pad.
Om de veiligheid voor de fietsers te verhogen wordt er nu ook werk gemaakt van een fietserstunnel aan de Kruising Leirekensroute met de N47 in Opwijk. Ook hier zijn de plannen ambitieus en reeds in een ver stadium gevorderd.

De huidige Leirekensroute maakt ook al jaren deel uit van de officiële fietsroute van Nederland naar Santiago de Compostella. Meer uitleg hierover is HIER terug te vinden : 

Naast aangenaam fietsvertier biedt Leireken echter nog meer.
Leireken is namelijk ook lekker. Jawel, … je kan Leireken ondertussen namelijk ook drinken.

Het was in 2002 dat Leo De Smedt, een telg uit de bekende Opwijkse brouwersfamilie, op het idee kwam om een “Leirekensbier” op de markt te brengen.

Op de Opwijkse ambachtenmarkt in de zomer van 2002 was het Leireken-bier voor het eerst te proeven en is sedertdien vooral aanwezig in de regio Opwijk.
Nadat in 2003 “Leireken Amber” ontstond heeft hij in Opwijk in 2004 de N.V. Guldenboot opgericht.
In 2005 werden, met de hulp van brouwmeester Jean-Luc Suys de speciaalbieren Leireken Boekweit Blond, Leireken Boekweit Bruin en Leireken Witte Spelt ontwikkeld.


In 2009 is daar dan ook nog Leireken Wilde Vruchten bijgekomen.


Aanvankelijk werden de biertjes gebrouwen in een huishoudbrouwerijtje in het Waalse Silenrieux. Het succes noopte dwong hen echter al vrij snel om naar een grotere brouwcapaciteit te zoeken en die werd gevonden bij brouwerij Strubbe in Ichtegem. Zij brouwen dit in opdracht van Thylbert bvba.


Of je nu in je sportieve schoenen gaat kruipen om te gaan wandelen, op de fiets springt of liever in de luie zetel een 'Leireken' drinkt ...  

G E N I E T    E R V A N    ! ! ! ! ! 

  en denk ondertussen ook eens aan 'Leireken de machinist' die dit alles eigenlijk onbewust in gang gezet heeft 


Bronnen :

Aalst-Antwerpen Zuid, de geschiedenis van Lijn 61 : Louis De Bondt en Philippe Callaert, 1996
Het Opwijksch Klokske 14 juni 1945
De Denderbode 7/9/1879 – 2/5/1880 - 12/10/1879 – 8/4/1883 – 28/12/1893 – 18/4/1909 – 30/11/1919
Het Volk 11/06/1976
Foto blokhuis 1978 : via MadeInAalst 
Leirekensroute.be
routeforyou.com
knooppunter.com
HLN 3/6/2020 - 23/11/2020
jeanjacquesdegucht.be 13/3/2019
goeiedag.be/Merchtem 15/1/2020
bieren en brouwerijen van België – Adelijn Calderon 2009
cheminsdurail.ligne54.be/61AalstAntwerpen.html
inventaris.onroerenderfgoed.be
Aalst, mei 1940 - Jos Ghysens
foto Duitse troepen aan opgeblazen brug : archief Cegesoma (via bunkergordel.be)
foto's brugvernielingen : bunkergordel.be
foto vernielingen 1940 : Stadsarchief collectie De Veirman
foto vernielde Zeebergbrug 1940 : Stadsarchief bruikleen Meert

maandag 22 juni 2020

Aalst en de kolonisatie


Eigenlijk kunnen we er bijna niet omheen … zelfs niet in Aalst ...

Naast het woord ‘covid-19’ is bijna heel België, neen wat zeg ik, heel Europa en bij uitbreiding grote stukken van de wereld momenteel in de ban van het woord ‘racisme’.

De dood van een zwarte Amerikaan heeft liters olie op het vuur gegooid wat aan het leiden is tot een echte brandhaard wereldwijd, en dat is soms heel letterlijk te nemen.

Ook historische figuren die het jaren of eeuwen geleden niet zo nauw namen met de gelijkheid van mensen worden tegenwoordig door de molen gedraaid en hun standbeelden worden bekogeld, beklad, in brand gestoken of afgebroken.
De voor België belangrijkste ‘kop van jut’ zal ongetwijfeld wel koning Leopold II zijn.


Een 19-jarige studente uit Halle lanceerde in juni 2020 een online petitie met de eis alle standbeelden van de voormalige Belgische vorst weg te halen. Volgens de ondertekenaars verdient hij, gezien zijn verleden, geen standbeeld. 
Maar wat heeft die 'brave' man nu juist misdaan?

Wel, in het kort … In 1885 richtte koning Leopold II Congo vrijstaat op, met toestemming van 14 Europese landen. 
Het werd een privékolonie van de koning, en hij vond dat het allemaal ook iets moest opbrengen.
In 1890 was er veel vraag naar rubber voor de productie van auto- en fietsbanden en naar ivoren voorwerpen.
De Congolese bevolking werd gemarteld en uitgehongerd en als een arbeider niet aan een quotum kon voldoen hakte de commandant zijn hand af, vooral ter intimidatie van de collega's en om geen dure kogels te verspillen.
Er kwamen strafkampen voor vrouwen en kinderen en de mannen konden hun geliefden vrijkopen met ivoor en rubber.
Met het geld van de Congo-vrijstaat liet de koning bouwwerken uitvoeren in eigen land. 

Naar het voorbeeld van Parijs liet hij Brussel aanleggen. Een voorbeeld hiervan is de Tervurenlaan.
Naar aanleiding van de 50ste verjaardag van België liet hij het Jubelpark bouwen, compleet met triomfboog.
En er volgden nog meer bouwwerkzaamheden : het Koninklijk Paleis, het Kasteel van Laken, de Koninklijke Serres in laken, de basiliek van Koekelberg, de OLV kerk in Laken, het Justitiepaleis in Brussel, het koninklijk museum voor Midden Afrika in Tervuren en de Koninklijke musea voor schone kunsten. 
In Antwerpen financierde hij de uitbouw van de zoo en liet hij het Centraal station en het Koninklijk Museum voor Schone kunsten bouwen. 
En in Oostende, één van zijn favoriete vakantiebestemmingen, liet hij de Koninklijke Gaanderijen, het Koninklijk Chalet, het Maria Hendrikapark, de Koninklijke Stallingen, de Sint Petrus en Pauluskerk en de De Smet de Naeyerbrug bouwen. 

In 1908 werd Congo een kolonie van de Belgische staat. De levensomstandigheden werden beter en de rubberquota werd afgeschaft. Het is echter een misvatting dat hij gedwongen werd om Congo aan de Belgische staat te schenken. Neen, hij liet zich hiervoor vorstelijk vergoeden door de brave belastingbetaler. In ruil voor het gebied in Afrika nam de Belgische regering de nog uitstaande schuld van Leopold II aan de overheid over ... o
p dat ogenblik 100 miljoen frank (uitgerekend komt dit op 600 miljoen euro). Maar dat bedrag werd natuurlijk nog wat aangepast (naar boven) met enkele bonusjes en extra's.

Op 30 juni 1960 werd Congo dan onafhankelijk. De link met België bleef echter nog steeds nadrukkelijk aanwezig. 

Naast de discussies over zwarte Piet (of Roetpiet of Regenboogpiet) van de laatste jaren, wordt nu dus ook de koloniale geschiedenis van - onder andere - ons land met argusogen bekeken en druk becommentarieerd. Iedereen heeft er wel zijn of haar mening over, en dat stuit soms wel eens op onbegrip van 'de andere partij'.

Als er trouwens één activiteit is die in de loop der jaren een volledig andere waardering heeft gekregen, dan is het wel de ‘kolonisatie’. Daar waar tot in de jaren 1950 overzeese bezittingen beschouwd werden als een statussymbool van het moederland, is er tegenwoordig nog nauwelijks iets goeds over te lezen of te horen.

De teruggekeerde aandacht voor ons koloniaal verleden geeft ons misschien de kans om de feiten, de interpretaties en de emoties ook eens in een juiste historische context te plaatsen.

In de tweede helft van de 19e eeuw immers werd kolonisatie aanschouwd als een weldaad voor de kolonies, die daardoor ook deel werden van de ‘beschaafde wereld’ … een ‘upgrade’ dus als het ware.

Kolonisatie betekende immers het einde van rooftochten en plunderingen, het aanleggen van wegen, spoorwegen, telegraaf- en telefoonverbindingen. Ook rioleringen, leidingwater en onderwijs, bestuur en rechtspraak werden er geïntroduceerd en sterk verbeterd.
De kolonisatie was voor Afrika en Azië eigenlijk een toegangsticketje tot de moderne beschaving.

Dat de plaatselijke bevolking hiervoor ook uitgebuit werd, werd wat naar de achtergrond verdrongen maar dat is niet zo raar omdat toen ook de Europese proletariërs werden uitgebuit.

Toch waren er ook toen al mensen die kritische commentaren lieten horen.
Onder andere ‘onze’ priester Daens die dat koloniseren toch maar geldverspilling vond. Geld dat veel beter zou worden besteed aan de Belgische arbeiders en aan de verbetering van de arbeidsvoorwaarden.
En de socialisten die vonden dat het geldgewin eigenlijk diende om de stem van het geweten en de klachten van de 'negers' te smoren.

Na de overdracht van Leopolds privékolonie aan de Belgische staat in 1908, raakte de kritiek op het wanbeleid van Leopold II nog een beetje verder in de vergeethoek. Dit stukje geschiedenis werd door de Belgen immers blijkbaar al vlug weg geduwd naar het collectieve onderbewustzijn.

In 1911 verscheen in De Volksstem een reeks artikelen van de Geraardsbergse oud-volksvertegenwoordiger Vincent Diericx (1862 – 1947). Dat gebeurde naar aanleiding van een zeven maanden durende rondreis door Congo, waarover hij heel duidelijk was :  ‘Den vierden maart aanstaande vertrek ik om mij nog meer te gaan overtuigen van het menschlievend beschavingswerk in Afrika, door den grooten koning Leopold II tot stand gebracht’. 

Niets dan eerbied dus voor de koning.

Die eerbied bleef bij velen trouwens bestaan, ook bij koning Boudewijn die bij de onafhankelijkheidsviering van Congo in 1960 zelfs op vrij ondiplomatische manier verwees naar ‘het genie van Leopold II die niet naar hier gekomen is als veroveraar maar als brenger van de beschaving’.

Dat veranderde echter snel. De Belgen die mee hielpen bouwen aan de ontwikkeling van de kolonie werden bij hun terugkeer eerder beschouwd als egoïstische uitbuiters en het woord ‘koloniaal’ werd een scheldwoord.

En in Aalst ?

Op het grondgebied van Aalst vinden we geen standbeelden terug van deze oud-koning en moeten we het stellen met een ‘Leopoldlaan’, die trouwens verwijst naar zijn voorganger Leopold I.
Deze straat ontstond in 1835 als nieuwe naam van de Kattestraat. Toen in 1927 deze haar oorspronkelijke benaming terugkreeg, moest een nieuwe locatie gevonden worden: de huidige Leopoldlaan werd de nieuwe naam van wat voorheen de Kloosterstraat was.

Geen standbeeld dus … en ook geen straat.
Ook in buurgemeenten en -steden zijn er maar heel weinig verwijzingen terug te vinden.

Maar heeft onze ajuinenstad dan helemaal niets te maken met de kolonisatie?
Oh, jawel hoor … waar hebben de Aalstenaars trouwens niets mee te maken …

Zeker nu de tijd van 'nonkel pater' of 'tante nonneke' voorbij is, dienen we ons bewust te zijn dat er toch nog wat sporen van onze koloniale geschiedenis in Aalst terug te vinden zijn en dat vooral in de vorm van soldaten, missionarissen, investeerders, ontdekkingsreizigers enz

- Een eerste was Albert Boone

(° 1869 in Aalst, + 1908 in Kinkanda)
Albert groeide op in het ouderlijk huis in de Dirk Martensstraat 16.


Hij scheepte na zijn legerdienst in Antwerpen op 18/7/1891 in om in Congo-Vrijstaat dienst te doen als sergeant van de Force publique, het leger van Congo-Vrijstaat. 

In april 1892 werd hij chef de poste in Dungu (Noordoost Congo) en in 1894 vergezelde hij de expeditie van de beruchte bevelhebber Willem-Frans Van Kerckhoven.

Samen trokken ze met een leger in naam van Leopold II vanuit het hart van Afrika op expeditie richting Nijl. Hun expeditie richtte zich onder andere tegen de Arabische slavenhandelaars maar deze ‘Grote Arabische Campagne’ werd later internationaal aangeklaagd voor gruweldaden jegens de Afrikaanse bevolking.

In 1895 was hij als luitenant gelegerd in Bima, Uele en nam hij deel aan een tweede expeditie.


Albert werd bij zijn terugkeer, als één van de weinige blanke overlevenden van Van Kerckhovens expeditie, als een échte held van het Statieplein naar het Landhuis op de Grote Markt gebracht. 

Daar kreeg hij te horen dat hij de perfecte man zou zijn voor een grootse Aalsterse droom.
De ‘beau monde’ van onze stad had immers een concessie in Congo Vrijstaat en vanuit ons Vlaamse industriestadje plande men een logistieke lijn, recht naar het donkere hart van Afrika.
De ambitie was ongekend.

Enkele families die ons vandaag nog steeds bekend in de oren klinken - de Bethune, De Clippele, De Vis, De Gheest, De Naeyer, Geerinckx, Eeman, Liénart, ... - hoopten om rubber in het Congo van Leopold te vinden, en waren er van overtuigd dat ze zo op korte tijd fortuin zouden kunnen maken.
Ze ‘fixten’ in Engeland een raderboot en het was dus eind 19e eeuw dat men op de Congostroom de ‘Alostville’ kon zien varen.
De enthousiastelingen trokken het oerwoud in, op zoek naar rubber dat ze dan later met de lokale bevolking verhandelden voor zoutklompen. Intussen genoten ze van jachtpartijen, de nederigheid van de Afrikaanse stammen en het dagelijkse leven.

Fernand, de broer van Albert, bezweek aan dysenterie en Malaria. Hij werd begraven in de Aalsterse nederzetting Kivula.

Op het thuisfront mikten de Aalsterse industrieën ondertussen op dubbele winst en zo verrees het rubberverwerkend bedrijf ‘La Centrale Belge. De fabriek bevond zich aan de Hoge Vesten, daar waar zich nu de carnavalshallen bevinden, en verschafte verschillende generaties Aalstenaars werk.
Tot begin jaren ’50 werden er rubberproducten vervaardigd.

In 1899 stapte Albert over naar ‘La Centrale Africaine’ van burgemeester Leo Gheeraerdts. 
Deze maatschappij stond in voor rubber- en ivoorexport en was actief in het bassin van Kasai.

Daarna werkte hij er als directeur voor bovengenoemde firma, die net zoals La Djuma, waarbij Leon de Béthune ook betrokken was, deel uitmaakte van de Compagnie du Kasaï. Door de Aalstenaars werd dit fabriek trouwens ook wel eens ‘’t Katsjoeken’ genoemd.
Van de fabriek ‘’t katchoeken’ naar het café ‘’t katchoeken’ is geen grote stap … en als we nog wat verder stappen komen we meteen bij ‘’t Katchoeken’, de bijnaam van onze eerste Ajuinboer (daarover is HIER meer te lezen).

In 1898 werd Albert vereerd met de medaille ‘Etoile de Service à deux raies’.
Deze burgerlijke onderscheiding was in 1889 door koning Leopold II ingesteld voor mensen die zich verdienstelijk hadden gemaakt in Congo-Vrijstaat.
De zilveren strepen verwijzen naar het aantal missies ter plaatse.
Op de achterkant van de ster staat het motto vermeld : ‘travail et progrès’.

In 1899 schreef hij het artikel ‘Sur le poste de Bima’ dat verscheen in ‘Mouvement anti-esclavagiste’.
Deze publicatie was vooral gericht tegen de Arabische slavenhandelaars.
Hij overleed in 1908 als gevolg van een ziekte, slechts 39 jaar oud.

- Ook zijn broer, Fernand Boone (° 1871 in Aalst, +1901 in Kioula, Djuma), was in Congo actief.
Eerst als onderofficier van de Force Publique van 1896 tot 1899 en daarna ook als agent van de Société Centrale Africaine (Kasai).
Ook hij overleed vroegtijdig: amper 30 jaar oud

- We gaan verder met Jan De Windt

Jan (1876 – 1898) groeide op in het ouderlijk huis op het Keizerlijk Plein (en nadien in de Nieuwstraat). Zijn vader was dokter in de heel- en vroedkunde.
Hij studeerde geologie in Gent, Wenen en Berlijn en behaalde de graad van doctor in de natuurwetenschappen, specialisatie mineralogie.

Jan was lid van het Kruidkundig genootschap Dodonaesa en was medestichter van de Vlaamse Natuur- en Geneeskundige Congressen.

Als bestuurslid van het liberale Willemsfonds ijverde hij ook voor de vervlaamsing van de Gentse hogeschool.

Hij was in maart 1898 als tweede commandant van de wetenschappelijke expeditie ‘Lemaire’ vertrokken.

Deze expeditie die zich van de oostkust van Afrika Congowaarts begaf langsheen de boorden van de Zambesi had als doel er topografische, etnologische, geologische en natuurkundige onderzoeken te verrichten.

Op 10 augustus van dat jaar kwam het bericht dat Jan verdronken was op het Tanganyika-meer, en dat op amper 22-jarige leeftijd. De oorzaak was een hevig onweer te Moliro.
De Jan De Windtstraat (tussen de Dr De Moorstraat en de Hovenierstraat) is een blijvende herinnering aan hem.

Ook de volgende in het lijstje klinkt heel bekend in de oren.
Het gaat immers over Léon De Bethune.

Léon  (1864-1907) was een telg uit een katholieke adellijke familie.
Hij trad in de voetsporen van zijn vader als politicus door gemeenteraadslid, schepen en volksvertegenwoordiger te worden voor de katholieke partij.
Zijn zwakke gezondheid maakte in 1887 reeds een einde aan zijn diplomatieke carrière, maar hij maakte zich wel op andere manieren verdienstelijk.

Zo zette hij zich vanaf 1888 in om de religieuze politiek van de onafhankelijke Congostaat onder de aandacht te brengen van de Belgen om op die manier steun te krijgen van katholieke landgenoten voor het Afrikaanse werk van de vorst en om roepingen van missionarissen naar Congo te stimuleren.

Daarbij werd hij ook geholpen door zijn schoonbroer, Edouard Descamps, professor internationaal recht aan de katholieke universiteit te Leuven, die ook een functie bekleedde in het ‘Institut Colonial International’ en de Hoge raad van de Onafhankelijke Congostaat’.

Zijn vader, baron Paul de Bethune, werd trouwens ook al geloofd als één van de eerste aanhangers van de Afrikapolitiek van koning Leopold II. 
Zo bijvoorbeeld verdedigde hij in de Senaat in juli 1889 met succes het voorstel tot staatsdeelname in de Compagnie du Chemin de fer du Congo



Léon had contacten met abt Van Impe, directeur van het Sint-Lodewijk van Gonzaga onderwijsinstituut in Gijzegem, dat zich wijdde aan de opleiding van jonge Congolezen in België.
Een belangrijk doel hiervan was om de doelstellingen van de kolonisatoren beter te doen begrijpen en hierdoor later beter te kunnen inschakelen in de Congolese administratie.
Léon zelf vond dit eigenlijk een geldverslindend project, dat trouwens na vijf jaar al werd stop gezet. Het had toen ook geen zin meer vermits in Congo zelf ondertussen al diverse kloosterordes (de Jezuïeten en de Scheutisten) begonnen waren met onderwijs ter plaatse in het kader van hun evangelisatiewerk.

In 1889 richtte Léon in Aalst een plaatselijk comité op van het Afrikaanse Rode Kruis en een jaar later ook een plaatselijk comité voor het Belgisch Anti-slavernij Werk.

Vanaf dat jaar ging hij zich op uitdrukkelijk verzoek van de vorst ook bezig houden met de missionering van Congo, waarvan hij enkel voordelen zag: ‘met behulp van talrijke katholieke zendelingen en met volharding zal men op een duurzame wijze dit ongelukkig volk tot een nieuw leven brengen: het zonder achteruitgang al de graden van den vooruitgang doen bereiken’. 
Ook wou men toen de negatieve invloeden van de Islam (waaronder polygamie) op zwart Afrika tegenwerken.

In september 1891 was hij op het Congres van de Katholieken in Mechelen de welsprekende promotor van de  Belgische missies in Congo. Hij verkreeg er ook de steun van de Jezuïeten voor de evangelisatie van en missionering in Congo.

Als doctor in de rechten en jong katholiek parlementslid werd hij door koning Leopold II van nabij betrokken bij het bestuur van de Vrijstraat Congo.
Van 1890 tot 1898 was hij secretaris van de Hoge Raad van Congo-Vrijstaat en van 1899 tot aan zijn dood was hij er raadsheer. Dit was niet enkel een adviesraad, maar ook een wetgevend orgaan evenals opperste gerechtshof voor de Congostaat.

In 1892 verdedigde hij de stelling dat Congo- Vrijstaat het recht had om grond in bezit te nemen die door de plaatselijke bevolking niet gebruikt werd en dat dit niet strijdig was met artikel 5 uit de Akte van Berlijn van 1885. Sommige Belgische commerciële groepen vonden dat dit neerkwam op monopolievorming en dat dit zeker in hun nadeel zou kunnen spelen.

De Compagnie de commerce du Haut Congo kwam daarenboven nogmaals in conflict met Leopold II door diens verbod op handel in ivoor en rubber in het gebied van de Uele, het grensgebied in het Noordoosten van Congo. Volgens de Compagnie kwam ook dit neer op monopolievorming met het oog op persoonlijke verrijking…

Als ‘rechterhand’ van Leopold II moest Léon ook diverse aanvallen vanuit Groot Britannie op de Congopolitiek van de koning proberen counteren. Daarbij kreeg hij hulp van zijn ex-stadsgenoot, priester Auguste Boone die naar Engeland was verhuisd. Dank zij deze laatste kon hij de ‘Catholic Press Limited’ aan de kant van de Congostaat krijgen.
De ontvolking van Congo verklaarde hij door te wijzen op de zware gevolgen van de slaapziekte en wantoestanden werden als” geïsoleerde feiten” geminimaliseerd.

Hij was commissaris-generaal van de grote Congo-exposities die plaats vonden in Antwerpen (1885 en 1894) en in Tervuren (1897). Het belangrijkste doel daarbij was ‘den bezoeker vooral van de nuttige zijde der onderneming op de hoogte stellen en tevens het bewijs leveren van den onmeetlijken vooruitgang die Congo op enkele jaren heeft gedaan’. Daardoor werd ook het nut van de katholieke missies aangetoond. Als commissaris-generaal van de Congolese sectie wou hij op de wereldtentoonstelling van 1897 in Brussel een ruimere plaats voor de missies in Congo.

In 1899 werd hij belast met een onderzoek naar de zending van de missies in Congo.
Hij vond het ‘zijn dringende plicht om het ongelukkige volk al de graden van den vooruitgang te doen bereiken’ en zo ging de Bethune meer en meer als financiële tussenpersoon van de koning fungeren in godsdienstige zaken. Een voorbeeld daarvan is een cheque van 100.000 fr. op naam van de Bethune om de abdij van Westmalle te steunen voor haar vesting in Congo

Hij bereidde mee de overdracht voor van Congo Vrijstaat  aan het koninkrijk België als de kolonie  “Belgisch-Congo”. Leopold II wou hem voor de geleverde inspanningen belonen en bood hem in 1907 het ministerschap voor de kolonies aan.
Léon diende dit echter te weigeren door zijn zwakke gezondheidstoestand. In datzelfde jaar zou hij op 43-jarige leeftijd vroegtijdig overlijden.

Léon wordt ook wel eens de ‘stroman’ van Leopold II genoemd omdat hij mee ingestaan had voor de propaganda en de misbruiken had afgedaan als geïsoleerde incidenten.

De Leo de Béthunelaan is de laan die loopt van het rond punt ‘Haring’ tot aan de St Jobskerk.

Niet alleen Leon was echter belangrijk voor Congo. Ook zijn broer Louis De Bethune is vermeldenswaardig.
Louis (Aalst,5/8/1872 – 29/1/1939) was ook katholiek volksvertegenwoordiger van 1912 tot 1932.
Hij was Doctor in de rechten van de Katholieke Universiteit Leuven en werd adjunct-kabinetschef van de staatssecretaris van de Congo-Vrijstaat.

Twee andere bekende namen in Aalst zijn Jacques Geerinckx en Baron Romain Moyersoen.

- Jacques Geerinckx (°1913, + 1943) werkte in het begin van de jaren 1930 in het Noorden van Belgisch Congo op een plantage in Bujala, gelegen in de provincie Zuid-Ubangi in het Noord Westen van het land.
Hij vervoegde in W.O. II in de herfst van 1942 de Belgische Inlichtendienst te Londen. Hij keerde terug naar België als geheim agent. Bij de dropping per parachute op 14 mei 1943 boven het Luxemburgse Soy ging het mis met zijn parachute en vond hij een dramatische dood. Na de oorlog werd hem postuum een belangrijke Britse onderscheiding toegekend. Op 23 maart 1954 werd het plein palend aan de Terlindendreef / Boudewijnlaan / Sylvain Van der Guchtstraat naar hem genoemd als “square Jacques Geerrinckx”. De drie andere zonen erfden het kasteel en verkochten het op 17 mei 1965 aan de "Societé d'Etudes et de Réalisations Immobilières" of beter gekend de naam N.V. Etrimo.

- Baron Romain Moyersoen (°2 september 1870 +21 april 1967) maakte in 1937 een eerste reis naar Belgisch Congo en ‘stelde vast hoe ver de kolonisatie en de welvaart van de inlandse bevolking waren gevorderd’.
Hij was toen voorzitter van de Senaat en was vol bewondering voor het werk van de missionarissen en in het algemeen voor het werk dat zijn landgenoten er hadden verricht.  In juli 1950 keerde hij, gecoöpteerd senator zijnde, terug om de huldiging te vieren van een fabriek die het Aalsters bedrijf Roos-Geerinckx en De Naeyer er had opgericht.
Het Baron Moyersoenpark bevindt zich tussen de Beukendreef en de Zwembadlaan.

Tot zover enkele ‘bekende namen’. Uiteraard zijn er nog verschillende mensen die wat tussen de plooien van de geschiedenisboeken zijn verdwenen maar toch ook hun belang hadden in de kolonisatieperiode. Hieronder enkele voorbeelden uit (Groot) Aalst :

- zuster Marie Coppens (° Aalst in 1862, + Melle 1919) die van 1896 tot 1912 als ziekenverpleegster actief was in Congo (Moanda en Kinkanda)

- Jean Baptiste Verschelden (° Aalst in 1866, + Luik in 1931) was als officier actief bij de Force publique.

- Urbain Van Der Brempt (° Aalst in 1873, + Antwerpen 1906) die in 1900 als klerk vertrok naar de Stanleypool en in 1903 postoverste werd in Moengo. Maar daar een ziekte opdeed en reeds op 33-jarige leeftijd overleed.

- Emiel Vereecken (° Gijzegem in 1886, + Coquilhatstad in 1938) was districtscommissaris in Lulonga.

En als we even verder buiten de stadsgrenzen gaan, vinden we binnen het vroegere ‘Land van Aelst’ ook nog volgende namen terug :

- Achilles De Riemaecker (° Berchem, bij Oudenaarde in 1850, + Leopoldville in 1893) was sergeant in de Force Publique maar werd getroffen door een zonneslag.

- Octaaf D’Hooge (° Wichelen in 1857, + Zele in 1899) stond als priester vanaf 1892 de arbeiders bij die werkten aan de aanleg van de spoorweg Matadi – Stanleypool.  Hij werkte ook onvermoeibaar aan de bouw van een kerk en een bibliotheek in Matadi. Zijn gezondheid werd daarbij ondermijnd.

- Désiré De Smet (° Sint-Goriks-Oudenhove in 1867, + Lisaba in 1900) was onderofficier bij de Force publique, maar werd getroffen door eczema en dysenterie waardoor hij op 33-jarige leeftijd overleed.

- Jules De Potter  (° Ename in 1868, + Ronse in 1912) was als zonechef actief.

- Jules Lejeune (° Geraardsbergen in 1870, + Thysville in 1909) was actief in de koloniale administratie maar werd getroffen door moeraskoorts.

- Hector Van Cattendyck (° Dendermonde 1871, + Nsekololo 1892): sergeant bij de Force publique, na hevige koorts overleden op 21-jarige leeftijd.

- zuster Hildebrand, Marie Lebon (° Zottegem in 1872, + Lokeren in 1902) wiens gezondheid sterk verzwakte door haar verblijf in de tropen.

- Charles Glorie (° Okegem 1872, + Stanleyville 1901) was als onderluitenant van de Force publique circa 1894 betrokken bij een campagne tegen Arabische slavenhandelaars. Overleed op 29-jarige leeftijd aan dysenterie.

- Leon Coppens (°Lede 1875, + Lovo 1898) die als agronoom werkzaam was in Temvo en als achttienjarige overleden aan hematurie (bloed in de urine door verschillende oorzaken).

Als je de jaartallen bekijkt, valt onmiddellijk op dat het grotendeel van deze personen reeds voor hun 45ste overleden zijn.
Meestal gebeurde dit door de slopende invloed van het tropisch klimaat op hun gezondheid.

Velen hebben dus op hun manier meegeholpen aan de kolonisatie … 

Vredelievend maar ook minder vredelievend. 
Sommigen kregen een standbeeld, anderen niet.
Sommigen worden beschimpt, anderen niet.

Tolerantie is tegenwoordig ver te zoeken. Hoewel de feiten natuurlijk niet moeten of zelfs niet mogen (!)  geminimaliseerd worden, is het toch jammer om te zien dat sommige van deze vandalen zelfs niet weten van wie het standbeeld dat ze bekladden eigenlijk is … laat staan dat ze de achtergrond kennen.


Het is zeker begrijpelijk dat beelden van omstreden figuren emoties kunnen losmaken, maar men moet het wel in de context van de tijd kunnen plaatsen. En 'toen' was dat, jammer genoeg, allemaal normaal.
De Grieken deden het, de Vikingen, de Fransen, de Spanjaarden, en noem maar op …

Er zijn erge dingen gebeurd, heel erge dingen ,dat is zeker, maar het heeft ons wel gemaakt wat we nu zijn … een vrij, welvarend en gelukkig nog altijd tolerant land.
De eis om een stuk van de geschiedenis te wissen, daar wordt niemand beter van.
De eis om excuses?  Ok, en dan ? Dan gaan we daarna gewoon verder alsof niets van dit alles ooit gebeurde ?

Het is trouwens merkwaardig dat in Congolese landen zelf geen standbeelden van de oud-koning worden vernield, terwijl dat hier dan wel het geval is. Meer nog, de oud-koning krijgt er nog steeds erkenning.
En is het ook niet ‘raar’ dat bijvoorbeeld een standbeeld van Julius Caesar, ‘de veroveraar en ontwerper van België’ bij sommigen misschien wel voor ‘lichte oprispingen’ zorgt maar niet voor manifestaties en plundertochten doorheen de stad ? 
De meeste Vlamingen beschouwen hem als de man die onze voorvaderen deel maakte van de rijke cultuur van het Romeinse Rijk … terwijl dit eigenlijk ook ‘kolonisatie’ was ... en er ook uitbuiting en geweld bestond.

Beter dus om alles te ‘kaderen’ en een duidelijk infobord bij te plaatsen.

Op 30 juni 2020 wordt trouwens de zestigste verjaardag van de Congolese onafhankelijkheid gevierd. Ook dit werd een verjaardag in mineur. Enerzijds wegens de Coronacrisis en anderzijds ook door deze nieuwe evolutie in de rassenstrijd. Leopold II was 'koning der Belgen' tussen 1865 en 1909. Hij werd berucht door de kolonisatie en exploitatie van Congo, waarbij naar schatting zo'n 10 000 000 mensen zijn omgekomen door honger, ziektes en executies.
Ter gelegenheid van deze verjaardag werd ook België natuurlijk weer in de schijnwerpers geplaatst , en dit verleden is iets wat we de toeristen niet echt willen laten zien. 
We zijn er niet fier op ... maar anderzijds is het weghalen van de beelden er misschien wat 'over'. 

Soit, geen echt eerbetoon in de vorm van een beeld of een straatnaam dus voor Leopold II in Aalst.

Wel een feitje misschien : het station van Aalst werd op 6 juli 1856 plechtig geopend door deze tegenwoordig veelbesproken koning.

En de aandacht die nu opnieuw wordt gegeven aan dit verleden wordt ook opnieuw geïntroduceerd in de scholen. In juni 2020 werd immers beslist dat het onderwerp ‘kolonisatie’ verplicht zal worden in de eindtermen van het secundair onderwijs.

En dat we nog niet aan het einde zijn gekomen van ‘kolonisatie’ bewijzen we trouwens met de plannen om naar Mars te gaan … en daar onze eigen … ja hoor : kolonie te stichten …


Bronnen :

De Volksstem : verschillende artikels 1911
foto Albert Boone : J. Louies De Dirk Martensstraat : waardevol Stadszicht
Het Land van Aalst 2016 nr 2
HLN uitgelegd : de kolonisatie
Wouter van der Spiegel
foto standbeeld Ekeren : NOS.nl
le-petit-bruges.be
bestor.be
stichtingdebethune.be