Nieuws uit Aalst

--------- Profiesjat Prinsj Joshy !!! ------- 't Principoilsjte vandaug es da ge ni te veil complementen mokt en genietj van 't leiven ! - - - - - - - Covid-19/Griep : Blijf aub voorzichtig en denk aan uw medemens !! - - - - - - - Deel enkel berichten van officiële bronnen om fake news te vermijden !!! - - - - - - - -

dinsdag 6 januari 2026

Huis Liénart

Op de Grote Markt, aan huisnummer 2 bevond zich vroeger een 18e eeuws herenhuis, dat bij de Aalstenaars bekend zou worden onder de naam 'Huis Liénart'.  Het huis bevindt zich tussen 'De Graaf van Egmont' en het Landhuis van Aalst (vroeger gemeentehuis).


Het eerste, originele, gebouw dateerde trouwens reeds uit de 14e eeuw, meer bepaald uit 1380, althans volgens bronnen uit dat jaar, toen 
"Aelst verdhestrueert ende vague lagh tengevolge van de bestorming der Gentenaars, die, ten getale van zesduizend, onder de bevelen van Raas van Herzele, Jan de Lannoy en Arnold de Clerke, hier alles geplunderd en vergrand hadden". 

In het jaar 1401 vinden we er een woonst, geheten "Den Beer". 
We lezen : "Neven de erve die men heet 'den Nieuwen Steen' ... de stede Den Beer van Steven van Vaerenwijck aen deen syde het gravelijck Leen ten Steen, haudende den huc van de Cattestraete, commende van achter aen de erve van Frans de Vremde".

De naam waaronder we het gebouw nog steeds kennen, verwijst naar de familie Liénart die er tussen 1870 en 1937 woonde. 

Als telg van een patriciërsfamilie uit Doornik vestigde Albert Liénart (1774-1833) zich in onze stad, meer bepaald in de Kapellestraat. Hij stichtte de Banque Liénart na zijn huwelijk met Jonkvrouw Isabella Pauwelaert van Aalst, dochter van Ridder Georges-Jean Pauwelaert, burgemeester van Aalst op het einde achttiende eeuw.

Albert Liénart wordt trouwens aangeduid als fiere eerste eigenaar van een auto in Aalst. 
"Het was een wagen zonder paarden die onder groot beziens de Grote Markt opdenderde en waarmede de eigenaar toenmaals sensatie verwekte in de omliggende dorpen"

Volledigheidshalve moet worden bijvermeld dat die eerste auto in Aalst tevens de tweede was in ons land. Slechts koning Albert kon reeds pratgaan op een soortgelijk 'duivelstuig'!

En dat allemaal terwijl men in 'derp d' anno 2026 nog steeds op 'basketslasjkes' rondloopt :-) 

Hun zoon Camille Liénart (1807-1872) volgde zijn vader op als eigenaar van de familiale bank en werd tevens stichter van het Discontokantoor en het agentschap van de Nationale Bank te Aalst.
In 1839 huwde hij met Eline van den Broucke, dochter van François-Martin van den Broucke, lid van de Raad van de Regering. 
Drie zonen volgden.

De oudste zoon van het koppel, Albert Liénart (1840-1871), was gemeenteraadslid en katholieke volksvertegenwoordiger van Aalst van 1866 tot aan zijn dood in 1871.

De jongste zoon, Charles Liénart (1847-1921), werd ook gemeenteraadslid tot 1896 en katholiek senator van 1888 tot 1897.

De tweede zoon Alexander Liénart (1841-1874) werd bankier zoals zijn vader en grootvader maar stierf op amper drieëndertig jarige leeftijd. 
Hij was gehuwd met Isabella van den Broucke (1846-1913), dochter van Joseph van den Broucke, luitenant-kolonel, commandant van het legioen der burgerwacht van Aalst en tevens ook gemeenteraadslid. 

Zij vestigden zich in 1870 in het prachtige huis van de familie De Ruddere aan de Grote Markt, dat vanaf dan ook 'Huis Liénart' genoemd wordt.

Aalst was op het einde van de 19de eeuw een verpauperde stad. 
Lange arbeidsuren en beschamend lage lonen waren de voornaamste oorzaken van de diepe ellende waarin de mensen moesten leven. 
Het grootste deel van de bevolking behoorde dan ook tot het proletariaat en was ongeschoold. Kinderarbeid en uitbuiting waren 'normaal' in die periode, denken we maar bijvoorbeeld aan de film 'Daens' over het leven van de Aalsterse priester, die hier een perfecte weergave van geeft.

Als sociaal voelende katholiek, en aangewakkerd door de encycliek Rerum Novarum, was de weduwe van Alexander Liénart er zich goed van bewust dat kosteloze lagere scholen met een zedelijke en godsdienstige opvoeding vooral voor kinderen van de minderbegoede klasse een belangrijke basis konden leggen voor een beter geslaagd sociaal leven en een grotere individuele welvaart.

In die tijd had Aalst natuurlijk ook niet de uitgestrektheid van vandaag. 
Eens buiten het centrum van de stad kreeg men uitzicht op de landelijke horizon en op de moerassen van het Osbroek waar zich enkele krotwoningen bevonden.

In 1896 werd op haar initiatief en met het door haar ter beschikking stellen van gronden op de wijk van het Osbroek en van de Zoutstraatpoort, twee lagere kosteloze scholen gebouwd.

Aan de Postweg (de huidige Sint-Kamielstraat) kwam de Sint - Camillusschool voor jongens.
Deze stond op naam van haar enige zoon Camille Liénaren, die ook aktief meewerkte en de school aan de stad schonk op 9 november 1896.
Het bas-reliëf (officieel erkend als stadsmonument) in de poort van de school vereeuwigt dit mooie gebaar. 

Het was in die periode nog de gewoonte dat leerkrachten zonder diploma konden werken. Zo was er 'onderwijzer', Mr Van Heuverzwijn, die priester werd en zich later directeur zonder klas mocht noemen van de steeds maar groter wordende school. 
'Suske Fix', zoals hij in de volksmond ook wel genoemd werd, zou later op dezelfde dag als zijn huishoudster op ruim 90-jarige leeftijd overlijden. 

Aan de Geraadsbergsestraat kwam er de meisjesschool Sinte Isabella (nadien Sinte Lutgardis) die onder de hoede kwam van haar enige dochter Aline Liénart.

Aline, die trouwens ook in de hogere kringen bleef en zich later 'mevrouw Baron Romain Moyersoen' mocht noemen. De baron haalde naam en faam op politiek gebied, was burgemeester van Aalst en werd 'Minister van State'.
Aline overleed in februari 1940.

De ontwikkeling van de jongensschool was zeer succesvol. 

Reeds in 1899 voorzag de Sint-Kamielschool in avondlessen voor volwassenen, en ook de klassen voor meer ontwikkelden waar een summiere leerstof van de middelbare school werd gegeven, kenden veel bijval. 

Het is dankzij dit aanbod dat reeds toen honderden jonge mensen de gelegenheid kregen om zich op te werken en zich van een beloftevolle loopbaan te verzekeren in de openbare besturen en in vele particuliere bedrijven in en rond Aalst. 

Een ander 'figuur' uit de Aalsterse onderwijswereld was mijnheer De Waegeneer, een onderwijzer uit Nederbrakel die aan de St Kamielschool fungeerde en van daar naar de Meuleschettestraat trok, waar hij in 1911 startte met het Technisch Onderwijs Avondschool. Dit evolueerde tot de huisige VTI. 

In 1904 zouden weduwe Alexander Liénart en haar zoon Camille Liénart vanwege Paus Pius X respectievelijk de titel van Romeinse Gravin en Romeinse Graaf verkrijgen, en dit naar aanleiding van hun grote inzet voor het katholiek volksonderwijs in Aalst.

Gedurende de eerste wereldoorlog werd het gebouw ook gebruikt door de Duitsers.

In de kelders van het Belfort vonden toen de voedsel- en goederenbedelingen voor de noodlijdende bevolking plaats en vanaf 1916 werd hier ook het gehate en gevreesde Duitse ‘Meldeamt’ gevestigd.

Alle mannelijke 16-plussers moesten zich hier komen aanmelden en velen werden opgeëist om te gaan werken in de Duitse oorlogsindustrie.

In de Winter van 1917 werd in 'De Graaf van Egmont' en in het buurhuis ‘Liénart’ ook een ‘Soldatenheim’ opgericht.
Zo’n soldatenheim (of soldatenhuis) was eigenlijk de ontspannings- en ontmoetingsplek voor Duitse militairen.
Ook in de Lange Zoutstraat was trouwens zo’n Soldatenheim gevestigd.

Het hoofdkwartier van de Duitse troepen was gevestigd in het ‘Hotel du Compte de Flandre’ op het Statieplein. 
De opvolger van ‘Von Meyer’, generaal Jurg, richtte tenslotte ook nog een Etappenkommandatur op in het huis.
en Etappenkommandatur was een militaire bestuurs- en controledienst van de Duitse bezetter tijdens de Eerste Wereldoorlog, verantwoordelijk voor het beheer en de uitbuiting van bezette gebieden (de 'Etappe') achter het front, waarbij ze lokale economieën regelden, goederen vorderden en verordeningen oplegden. Het was een typische instantie van het Duitse Militärverwaltung (Militair Bestuur), die controle uitoefende op het dagelijks leven, transport en de economie in bijvoorbeeld België en Noord-Frankrijk. 

De familie Liénart was reeds eerder gevlucht voor het aankomende geweld, en had de sleutel van het huis toevertrouwd aan zijn bediende, Charles.
 
Toen deze vernam dat de Duitsers daar hun intrek zouden nemen, verkocht hij nog heel gauw de heel goed gevulde wijnkelder van de familie aan Camiel Van Hecke. 
Op die manier zouden de ongeveer 1000 flessen, waaronder enkele heel waardevolle, tenminste de oorlog nog overleven … 

So far so good ... ware het niet dat deze Camiel ze op zijn beurt ook al heel snel doorverkocht … aan de Duitsers.

De familie kwam na de oorlog terug naar onze stad en in 1919 werd klacht ingediend over de inbezitneming van de woning door de Duitsers. De klacht luidde ‘Huiselijken diefstal en verheling’.

Na de eerste wereldoorlog werd verder gewerkt aan het scholenproject en de vierde graad van het technisch-, handels- en in mindere mate ven het landelijke type werden bijgevoegd ten einde de leerlingen te bekwamen in een veranderlijke economische omgeving

De familie verliet het gebouw in 1937.
Eén jaar na hun vertrek werd het gebouw door de notarissen Moyersoen en Breckpot verkocht en kwam het in handen van de N.V. Kredietbank.

Het was Jos Taeymans die het gebouw via een openbare verkoop verkreeg.
Hij deed de aankoop in opdracht van de bank, maar het interieur bleek niet geschikt te zijn om er bankzaken te doen.
Men liet het statige gebouw dus afbreken en heropbouwen

Een nieuwe voorgevel, in Art-Decostijl, werd ontworpen door Robert Stekke. 
Toen al had men kritiek op het beleid van de stad in verband met oude gebouwen. 
In De Volksstem van 23 september 1938 lezen we hierover onder andere : 

"Heden, na den aankoop door de NV Kredietbank, heeft men vastgesteld, dat later een tweede verdiep op het huis Liénart werd aangebracht. Jammer dat in de bureelen der Openbare Werken geen de minste inlichting nopens het voormalig gebouw te vinden is! We vernemen nochtans, dat de nieuwe eigenaarster, na onderzoek of het huis met Franschen steen werd gebouwd, het lofwaardig inzicht heeft, hetzelve in zijn primitieven staat min of meer te doen herstsellen. Indien zulks mogelijk is, het standbeeld zou er veel bij winnen'"

De Kredietbank kon er zijn nieuwe filiaal openen op 10 mei 1940, exact de dag waarop de nazi's dus opnieuw onze stad binnenvielen. 

Tijdens de oorlog werd de bank ingenomen door Ortskommendant Lidner, maar na enkele weken onderhandelen kon directeur Robert Morre ervoor zorgen dat de commandant verhuisd naar het 'het witte gebouw' aan het Sint-Maartensinstituut.

Na de Kredietbank werd het gebouw een winkelpand, waar onder andere 'Schoenenreus' en 'Blokker' gevestigd waren.


Een herbestemming werd gezocht, en ook gevonden, na het failissement van laatst genoemde.

Exact 28 jaar nadat McDonald’s zich kwam vestigen op de Grote Markt krijgt de fastfoodketen een nieuwe locatie. 
De stad gaf eind december 2025 immers groen licht voor de verhuis naar het "Huis Liénart".

Met deze verhuis wordt ingezet op een nieuwe invulling van het pand, maar met respect voor het waardevolle historische en architecturale karakter van de omgeving. 

Zo werd afgesproken dat de iconische gele letter “M” niet op de gevel van Huis Liénart zal worden aangebracht, en ook de leveringen (langs de Kattestraat) zullen gebeuren onder strikte voorwaarden.


Bronnen :

Denderjournaal 23/12/2025
HLN 23/12/2025
De Volksstem 23/09/1938
De Gazet van Aalst 8/12/1962 - 15/12/1962 - 22/04/1967 - 27/04/1967
De Voorpost 27/06/1980 - 16/12/1983 - 25/05 1984
Foto Blokker : Google maps

Geen opmerkingen:

Een reactie posten