Nieuws uit Aalst

--------- Profiesjat Prinsj Joshy !!! ------- 't Principoilsjte vandaug es da ge ni te veil complementen mokt en genietj van 't leiven ! - - - - - - - Covid-19/Griep : Blijf aub voorzichtig en denk aan uw medemens !! - - - - - - - Deel enkel berichten van officiële bronnen om fake news te vermijden !!! - - - - - - - -

dinsdag 21 mei 2019

De Kattestraat

De Kattestraat is de smalle straat die vertrekt net achter het Schepenhuis/belfortcomplex en in noordwestelijke richting loop tot de vroegere Kattepoort van de vest (bij het huidige Esplanadeplein, op de plaats waar ten tijde van de tweede stadsuitbreiding de vroegere noordelijke stadsvest en de omwalling opgetrokken waren). 
Hierbij een afbeelding van deze Kattepoort van de Vest ...
Voor de oorsprong van deze straatnaam is het wel even zoeken. Er bestaan namelijk verschillende versies. De meest aanvaardbare :

Het tracé van deze straat zou overeenkomen met de Romeinse heirbaan die van hieruit de "Catti" of 'Kelten' naar Hunneghem en de Villa Romana van Lede bracht via de huidige Ledebaan.

In 1835 werd de oude benaming een tijdlang (tot 1927) gewijzigd naar Leopoldstraat.

Archeologisch gezien was ook de Kattestraat een heel interessante brok. 
Aan huisnummer 42 bleek dat de kelder onder het huis één bouwkundig geheel vormde met de kelder van de buren op nummer 44. De binnenoppervlakte was toegankelijk via een smalle trap. Onder de vloer vond men een stabilisé- en leemlaagje, en daaronder heel wat brokken baksteen en verbrande leem. Mogelijks zou het hier dus gaan om een opvulling van een leemwinningskuil met materiaal dat te linken valt met de grote stadsbrand van 1361.

Na afbraak van de huizen bleek ook onder huis nummer 52 een kelder te zitten De toegang hiertoe was afgesloten met een houten deur, waarover houten parket werd aangebracht. De kelder zelf bleek voor een groot gedeelte te zijn volgestort met puin. 

Even verderop kwam een volledig intacte waterput uit de 17e of 18e eeuw aan het licht. 

De oudste sporen die dus aangetroffen werden, waren vooral leemextractiekuilen, die allemaal een vrij gelijkaardige vulling vertoonden. Ze zouden dan ook allen uit dezelfde tijdsperiode stammen. In de vulling werd telkens verbrand materiaal teruggevonden, dat hoogstwaarschijnlijk dus te linken is aan de grote stadsbrand. Op twee plaatsen werden 14e eeuwse gebruiksvoorwerpen (aardewerk) gevonden, wat voorgaande natuurlijk dan ook verder kan staven. 

Enkele kuilen bevatten ook veel bouwpuin en konden worden gedateerd in de 16e tot 18e eeuw. Dit laat vermoeden dat er op het terrein tijdens de 18e eeuw een grote afbraak heeft plaatsgevonden. 

Het onderzoek werd afgesloten met de melding dat de sporen die werden aangetroffen dateren uit de periode tussen de 14e en 20e eeuw. Het gaat vooral over restanten van bakstenen muren en kelders, afvalkuilen, vloerniveaus en een laag tuingrond.  
Het onderzochte deel ligt trouwens pas vanaf de 13e eeuw binnen de stadsomwallingen.


Onderzoek van Solva wees uit dat het tracé van de toenmalige Peperstraat niet overeen kwam met het huidige verloop. De straat maakte toen een verbinding tussen de Kattestraat en de Kapellestraat,
en dit ter hoogte van de H. Geestkapel. Soms werd deze straat ook wel Sint-Sebastiaanstraatje genoemd, naar de gilde die er haar hof en schietplein had. Rond 1830, met de uitbreiding van de gevangenis, werd de Peperstraat uiteindelijk omgeleid naar de Esplanadestraat


De straat is eigenlijk een interessante benadering van de stadskern met richting grote markt het schepenhuis / belfort op de achtergrond en richting Esplanade toe, een prachtig uitzicht op de Sint-Jozefkerk.

Oude huisnamen wijzen nog op vroegere functies ervan : voorname woningen, schaarse herbergen en brouwerijen evenals een aantal namen van bewoners die volgens archiefstukken gekend zijn vanaf de 15de eeuw, en voornamelijk voor de 17de en 18de eeuw.
Ook vestigingen van pandleners kon men hier terugvinden, alsook de officiële "Berg van Barmhartigheid" die werd geopend in 1854 en opgeheven werd in 1901.

Een specifieke rol van de Kattestraat werd gekoppeld aan de aanwezigheid van diverse instellingen van maatschappelijke en caritatieve aard.

Bij het begin, ten oosten, palend aan het Landhuis, hadden we de zogenaamde "Queec Schole". Deze werd reeds vernoemd in 1430 en werd gesloten in 1620 na de komst van de Jezuïeten. 

Op 6 december 1474 kozen de leerlingen van deze queec schole in de Kattestraat hun bisschop. Hij werd op een ezel naar de schoolkapel geleid, waar hij een schertsmis opdroeg. Vervolgens reed 'de ezelsbisschop' door de stad, waarbij hij de toeschouwers geschenken aanbood. 
De school kreeg voor de organisatie van het feest twee kannen wijn van de stedelijke overheid 'up sinte-niclauesdach, als de scholieren van deser stede huer feeste hielden van haren bisschop'

Later, in 1760 was er de aankoop van een reeds in de 16de eeuw hier vermeld burgerhuis, het zogenaamde "Limnander", dat zou dienen voor de inrichting van de "stads schole", en die als gemeenteschool zou doorleven tot in de 19de eeuw.
Kattestraat begin 20ste eeuw
Verderop vinden we het Armenhuis, het voormalige Oudemannenhuis (sinds 1830) en ertegenover de Heilige Geestkapel met links het Meisjeswezenhuis, het zogenaamde "Maegelyn" (sinds 1718) en rechts, het voormalige Heilige Geesthuis, dat werd wederopgericht als Oudevrouwenhuis in 1841 .

Kattestraat 
Ouderlingen en weeshuis kapel 
met nog een gedeelte van het oudvrouwenhuis
De gebouwen van het meisjesweeshuis en het oudevrouwentehuis kwamen na leegstand al snel te vervallen. Ook de kapel kon meer dan een likje verf gebruiken.
In 1979 werd de kapel zwaar beschadigd.
De beide tehuizen werden afgebroken, maar de kapel bleef staan en werd voorlopig wat opgekalefaterd.


Over de H. Geestkapel en de tehuizen is HIER meer te lezen. 

Het was nu wachten op een nieuwe projectontwikkelaar die de terreinen verwierf, en uiteindelijk heel verrassende plannen op tafel kon leggen : maar liefst 32 winkelunits, 18 appartementen en een gerestaureerde Heilige Geestkapel behoorden tot de ambitieuze plannen. 

De nieuwbouw werd genoemd naar tapijtwever Pieter Van Aelst ... De Pieter Van Aelstgalerij was geboren. 

Pieter Van Aelst, alias van Eedingen, was een vooraanstaand tapijtwever, koopman en makelaar uit het begin van de 16 e eeuw. Hij was zelfs hoftapijtwever van Filips De Schone en Keizer Karel en lid van de prestigieuze Sint Jorisgilde. Later vestigde hij zich in Brussel. Hij voerde onder andere in opdracht van Paus Leo X een reeks wandtapijten uit naar een ontwerp van Rafaël.

Uiteindelijk werd de kapel dus toch behouden, en kreeg ze een herbestemming als handelszaak (kleding). 
In 1997 werd de kapel dan opnieuw beschermd, en dit is ze nog steeds tot op vandaag. 

Op de hoek van de Grote Markt en de Kattestraat in Aalst ligt de herberg 'Graaf van Egmont', voor de Aalstenaars : 'De Coont' (compte).
Op deze plaats lag oorspronkelijk het eerste Landhuis van Aalst ('s Gravensteen), dat verlaten werd in het begin van de 16de eeuw. 
Dit gebouw werd afgebroken in 1776. Het huidige hoekhuis zou dateren van 1777 en zou opgetrokken zijn uit de herbruikte en herkapte zandsteen van het vroegere Steen. 

Het gebouw werd ingericht als herberg in 1851, en werd later opgekocht door de Liberale Associatie. De sobere en vlakke gevels worden geleed door puilijsten en doorgetrokken arduinen kordons ter hoogte van de onderdorpels. 
Aan de Kattestraat bevindt zich een grote rondboogpoort in een geblokte omlijsting van arduin, gemarkeerd door een zware kroonlijst. In 1997 werd de herberg beschernd als monument.
In de Graaf van Egmont werden trouwens ook de … euh … kroonjuwelen van het carnavalsmonument bewaard. Het ontwerp van kunstenaar Hendrik Muylaert won de wedstrijd wel, maar de kunstenaar moest wel enkele aanpassingen doen. Het beeld stelde een naakte Voil Jeannet voor, een man dus eigenlijk, maar toch moesten de geslachtsdelen verwijderd. De jury vond dat het standbeeld geslachtsloos moest zijn, en de kunstenaar verwijderde onder lichte dwang de kleinnoden. Deze werden dan later tentoongesteld in 'De Coont'

In 2018 kwam dan de mededeling dat 'De Graaf ...' wat aanpassingen zou doen. 
Uitbaters Jurgen De Roeve en Veronik Bombeeck, al 10 jaar uitbaters van de zaak, opperden het plan om het interieur een grondige make-over te geven. 
Met de brouwerij Haacht werd een nieuw huurcontract afgesloten, en daarmee drukten ze de geruchten de kop in dat zij het pand zouden verlaten voor een ribbetjesrestaurant.
“Gedurende de laatste jaren hebben wij ons steeds moeten verdedigen tegen geruchten, roddels en leugens over een nieuwe bestemming voor de Graaf van Egmont. Zo ging er een discotheek komen, een ribbetjeshuis of een champagnebar. Niets is minder waar”, zeggen ze. “We willen komaf maken met al die uitgevonden verhalen. De nieuwe huurvernieuwing werd opnieuw afgesloten tussen brouwerij Haacht en ons. We zullen de komende negen jaar opnieuw de Graaf uitbaten, maar er zal een en ander veranderen.”

“De Graaf krijgt dus een volledige make-over. Alles wordt vernieuwd : de zaal, de toog, de toiletten, de feestzaal boven, het terras, .... Het mooie karakter van de Graaf zal opnieuw volledig tot zijn recht komen”, zeggen ze. De gevel blijft uiteraard zoals hij is, maar zal worden opgefrist. Ook het dak wordt gerenoveerd.

Voorheen waren in de Kattestraat ook nog een aantal stegen aanwezig, zoals bijvoorbeeld de zogenaamde "Impasse Hendricks" nog vermeld in 1866 en de zogenaamde "Impasse van Nerom", die zelfs nog bewoond was aan het begin van de 20ste eeuw.


De stad Aalst besliste om de Kattestraat tegen 2018 opnieuw aan te leggen. De tweede belangrijkste winkelstraat van Aalst moest daarbij in een nieuw, frisser en hedendaags kleedje gestoken worden. Volgens schepen Ann Van De Steen was de staat van het wegdek op veel plaatsen ondermaats, maar bij vele Aalstenaars rezen er blijkbaar toch enkele vragen bij de werken, want de Kattestraat was in Aalst nu ook niet de straat die in de slechtste staat is of de meeste prioriteit verdiende in verband met hernieuwing.
 Soit, de werken kwamen er, tevreden of niet …

22 Jaar geleden kreeg de Kattestraat trouwens al eens een grondige opknapbeurt. De straat werd begin jaren '90 immers volledig opnieuw aangelegd, maar door de diverse grote werken (vooral het stuk tussen de Esplanade en de Peperstraat) was de toestand van het wegdek helemaal niet meer wat het geweest is., of zou moeten zijn. 

De stad maakte gretig gebruik van de werken van Eandis om de straat dan ook maar meteen volledig te vernieuwen. 
"Eandis heeft laten weten dat zij nutswerken moeten uitvoeren voor de sanering van de electriciteitskabine in het Belfort en de aanleg van nieuwe elektriciteitskabels vanaf het Belfort tot het Esplanadeplein. De werken van Eandis zullen vermoedelijk zes tot acht weken duren. Die werken zijn technisch dringend nodig en moeten door Eandis ten laatste in 2017 of 2018 worden uitgevoerd", zegt schepen Van de Steen. 
"Gezien de slechte staat van het wegdek, de nodige werken van Eandis en het belang van een aantrekkelijk straatbeeld, heeft de stad beslist om de Kattestraat her aan te leggen. De kostprijs hiervan wordt geraamd om zo'n 500.000 euro en de werken kunnen uitgevoerd worden in 2017.

Stad Aalst startte dus op 31 juli 2017 met de wegeniswerken. Tijdens deze werken werd de bestaande verharding opgebroken en werd er een nieuwe verharding aangelegd in lichtkleurige graniet met donkere accenten. Tussen de passage Pieter Van Aelst en Ridderstraat kwam er een waterpartij met zitgelegenheid. De schepen benadrukte dat het over een 'waterpartij' gaat en niet over een nieuw fontein.

Ter hoogte van de kapel, waar de straat op zijn breedste is, staan nu unieke banken. Deze zijn gekoppeld aan een waterpartij die als een soort greppel onder de banken door loopt en van onderuit verlicht wordt. Er kwamen ook bijzondere goten in geroest staal die de wandelaars doorheen één van de belangrijkste winkelstraten leiden. In die goten staan trouwens spelletjesnamen vermeld die allemaal met 'katten' te maken hebben.  'Katjen tik', 'Katjen op d'hoeigte', 'Katjen aloe', …
Hierbij een beeldje van tijdens de werken.

De historische gevels worden decoratief uitgelicht. 
Deze renovatiewerken gaven de Kattestraat dus nog een extra boost en enkele nieuwe winkels namen er al snel hun intrek. Het leek dus allemaal de goede weg op te gaan met de Kattestraat, tot in april 2019 aan de alarmbel getrokken werd door de lokale handelaars en de pers. 


In een van de bekendste winkelstraten van de stad staan er immers maar liefst 17 panden leeg, en dit terwijl vorig jaar deze tijd nog in de pers te lezen stond, dat er ‘amper nog lege panden in de Kattestraat’ waren. 
De handelaren willen nu, samen met de stad, een actie op poten zetten om deze leegstand trachten tegen te gaan. Het is immers niet aangenaam winkelen in een straat met allemaal afgeplakte en weggestoken vitrines.

De heraanleg van de straat is volledig achter de rug, de lelijke leegstand bleek nog slechts een spook uit het verleden te zijn, en de straat was klaar om opnieuw te bruisen.
Het mocht echter niet zijn ...
De ene na de andere zaak sloot de deuren: Subway, speelgoedwinkel Fox, ... 
Aan al die panden hangt nu ‘te huur’. Als we de Penne-site - waar AS Adventure gevestigd was en waar nu een nieuw winkelpand en appartementen worden gebouwd -  meetellen komen we aan maar liefst zeventien lege winkelruimtes.

Van twee leegstaande panden zelfde tijd vorig jaar naar zeventien nu, dat vinden ook de winkeliers veel … veel te veel. 

Tijd voor actie, vindt dus Vanessa Manssens van kledingzaak Street One in de Kattestraat. “We gaan met de Kattestraat een voorstel doen aan de vereniging van handelaren in het stadscentrum van Aalst, District A. We willen samen met de stad een project opzetten om nieuwe handelaars aan te trekken naar de Kattestraat”, zegt ze. Volgens haar speelt het werfverkeer van enkele grotere bouwwerken in de straat een rol. “Ik denk dat we nu ook even door de zware bouwwerken moeten die er zijn in de Kattestraat”, zegt Vanessa Manssens van Team Kattestraat.

Stedelijk centrummanager Pieter Van Houcke heeft het natuurlijk ook allemaal gezien, maar een oorzaak blijkt moeilijk om aan te wijzen. 
“Wat dé reden is van de leegstand in de Kattestraat, daar durf ik geen uitspraken over te doen. De grote werken zijn uiteindelijk achter de rug, dus daar zou het zeker niet mogen aan liggen. Misschien spelen de hogere huurprijzen een rol? 
Een andere oorzaak : er zijn ook wel enkele ketens opgehouden te bestaan en als die dan net een winkel in de Kattestraat hebben dan sluit die winkel. 
Dit is wat er zich bijvoorbeeld voordeed bij Coolcat in de Nieuwstraat”, zegt Van Houcke. “Misschien is het gewoon toeval. De straat is net heraangelegd en heeft een pak dynamische handelaren die samen voor beleving zorgen in de straat.”

Misschien is het ook gewoon toeval. De straat ís net heraangelegd en hééft een pak dynamische handelaren die samen voor beleving zorgen in de straat.

De stad ziet er toch het positieve van in, en ziet de leegstand vooral als een ruimte die vrijkomt voor nieuwe zaken, nieuwe ondernemers. Als stad proberen ze die ondernemers die winkelruimte zoeken, naar het juiste pand te leiden. 
Uiteraard is het zo dat als men iets wil aanprijzen, men dit op een zo positief en aangenaam mogelijke manier moet doen. Een pand dat leegstaat zal moeilijk verkocht worden als er een groot houten bord voorstaat. 
Zo zoekt men naar creatieve oplossingen om de gebouwen toch aantrekkelijk te maken.  Een mooi voorbeeldje hiervan is te vinden in de Lange Zoutstraat, waar 'Atelier De Leeuw' tijdelijk een winkel uitbaat. Dat draagt bij aan de winkelbeleving. Dat willen we ook doen in de Kattestraat”, zegt hij.

Als afsluitertje over deze straat : ook JanDe Wilde bezong reeds de Kattestraat in zijn 'Dode-hond-droom'. Hierbij de tekst.

In Aalst, in de Kattestraat
op 'n kelderafdekplaat lag 'n dode hond
met drie vliegen op 'n wond
aan z'n rechterachterpoot,
wis en zeker overleden,
wis en zeker dood,
van verdriet, van vergif of dwaasweg overreden.
En van m'n zes of zeven jaar sliep ik dromen bij elkaar,
te gek om los te lopen,
de ventjes uit m'n prentenboek
kwamen uit een donkere hoek van de slaapkamer gekropen.
M'n teddybeer die overdag uitblonk door z'n braaf gedrag,
begon amok te maken en als het onweerachtig was,
droomde ik krek net zoals Sint Jan op Pathmos van draken
Nachmerries of mooie dromen,
help me om van die dode-hond droom af te komen!
In Aalst, in de Kattestraat op 'n kelderafdekplaat
lag 'n dode hond.

Voor een fotootje van de Kattestraat mag je trouwens gerust eens aankloppen bij de burgemeester. Zijn vader had namelijk een fotozaak in de bewuste straat, op het nummer 35. Misschien heeft hij het vandaar, onzen Donzje, de fotogeniekheid ...

De Kattestraat uit bouwkundig oogpunt dan : Tegenwoordig is de Kattestraat een belangrijke winkelstraat met drukke en snel evoluerende uithangborden, reclames en puien die straatwanden in twee registers opsplitsen; heterogene bebouwing met diverse, doch meestal vrij smalle panden van variërende hoogten. 
Een basisbebouwing met oude kernen afwisselend met vernieuwingen uit de 19de en 20ste eeuw, voornamelijk naar het centrum toe.

De breedhuizen met oude kern, tegenwoordig wel verbouwd maar nog getuigend van vroeger straatbeeld en oude rooilijn zijn nog zichtbaar : nummer 4, met markerende zijtrapgevels en steile dakhelling, nummer 5 onder gebogen zadeldak, nummer 22, 37-41, 48-54, 57, 63, als rijhuizen van twee of meerdere traveeën onder steile zadeldaken, opklimmend tot de 17de (?)tot 18de eeuw, en voorzien van bepleisterde of gecementeerde parementen met 19de- tot 20ste-eeuws uitzicht.

Bronnen

- D'Huyvetter C., de Longie B. & Eeman M. met medewerking van Linters A. 1978: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Oost-Vlaanderen, Arrondissement Aalst, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 5N1 (A-G), Brussel-Gent

- Lokale berichtgeving Radio Goeiedag 2018 - 2019
- HLN van 10/4/2019
- Info Solva
- foto brand Heilige Geestkapel : MadeInAalst
- foto begin 20e eeuw : Onroerend erfgoed publicaties
- geo-vlaanderen.agiv.be en ngi.be voor archeologische info
- 'Dag meneer De Wilde', leven en werk van Jan De Wilde, met alle liedjesteksten (door Jo Bogaert)
- Isuu.com/visitemagazine/docs/aalst_stad_in_beweging-flip-nieuw/47

zaterdag 18 mei 2019

Kasteel der kleine verdoemenis

Het 'Kasteel der Grote Verdoemenis' (ofte 'kasteel Terlinden') is HIER al ter sprake gekomen, maar er was in Aalst ook nog een tweede 'verdoemenis'. Dit was eigenlijk het andere stenen gebouw of hof in de "straete genoemt de twee Steentiens", wat verderop in de richting van de Etrimo buildings. Dit was, in tegenstelling tot ‘Terlinden’ geen echt kasteel, maar een landhuis.


De Steenstraat (toen ‘Straete genaemt de twee Steentiens....’) refereert trouwens nog steeds naar dit gebouw(tje).


Zoals op het plannetje te zien is, liep de Steenstraat vroeger waarschijnlijk door tot het huidige ‘Wateringen’, de plaats waar ‘de kleine verdoemenis’ gelokaliseerd was.
Het werd voor het eerst vermeld in 1562 als "Prachthoefken, "t goedt ter Linden". 

In 1646 was het eigendom van schepen Jan Coucke en stond het beschreven als volgt: "Het kasteelken geheeten 't hof ter Linden int geheel in bogaerden, motte, hoplochtinghe, meerschen ende landen ontrent twee en twintich dachwanden groote.

In de jaren ‘70 werd de compleet vervallen hoeve afgebroken door de eigenaar Jozef De Saedeleer. Het gebouw en de omgeving hebben plaats gemaakt voor de nieuwe wijk ‘Wateringen’. 
Toen we er als kind wouden gaan spelen in de buurt, werd ons heel gauw duidelijk gemaakt dat 'het daar niet pluis was', en 'dat we daar beter zouden wegblijven.

Andere bronnen  situeren het goed ook wel eens op de plaats waar sinds 1895 het kasteeltje Van Muylem opgericht werd, op de plaats waar voorheen de leprozerij van Aalst gelegen was. In het begin heette dit nieuw kasteelje "Hof te Siesegem". Maar het kasteeltje Van Muylem heeft dus voor alle duidelijkheid niets te maken met de verdoemenissen. 
Over het kasteel van Muylem is HIER meer te lezen. 


Volgens het volksverhaal zou de laatste eigenaar zijn vrouw vermoord hebben door haar met een grote nagel door haar voorhoofd aan de deur vast te nagelen. 
Na haar lichaam enkele jaren in de tuin begraven te hebben, ontgroef hij haar en ontvleesde de schedel. Die schedel werd binnen op de tafel gezet zodat hij haar dagelijks kon bekijken, en diende tevens als kaarsenhouder, … kwestie van ook een praktische kant te hebben natuurlijk.

Na zijn overlijden werd het goed te koop gesteld maar er waren geen kopers, waarschijnlijk door het nogal lugubere verleden. Het gebouw raakte in verval en had daardoor wel degelijk een angstaanjagend uitzicht. Het gerucht ging daarenboven dat het niet pluis was rond de ruïne en dat het er constant spookte.

Volgens andere volksverhalen zou ook de Bende van Jan De Lichte hier een tijdje onderdak hebben gehad. Over Jan De Lichte en zijn bende is HIER meer te lezen. 


Een ander luguber verhaal rond dit gebouwtje (mondelinge overdracht, neergeschreven door P.Henderickx, Leuven, 1959) : 

Toen K. zijn vriendin in Aalst ging opzoeken, moest hij voorbij het kasteel van Verdoemenis. Hoewel iedereen in de buurt van dat kasteel bang was, zei K. dapper: "Dat daar maar eens een toveres staat, ik zal ze wel pakken!" 
Om middernacht kwam K. terug van Aalst. Bij het kasteel stond een toveres. K. nam de hoed van de toveres af, nam hem mee naar huis en legde hem in een koffer. De volgende dag stelde K. echter vast dat de hoed in een doodshoofd was veranderd. Daarop ging K. naar de pastoor, die hem de volgende raad gaf: "Ga vannacht terug en zet dat doodshoofd weer op dat lichaam". Toen K. dat had gedaan, sprak het doodshoofd: "Geluk, man, dat je dat gedaan hebt of ik had u de nek gebroken!" Doodsbang liep K. naar huis. Twee dagen later stierf hij. Hij was toen achtentwintig jaar.

De beschikbare foto’s dateren van rond 1948

Een zekere ‘Jan Goffa’ heeft hierover volgend gedicht gemaakt : 

 Aalst : Kasteelke van Verdoemenis
verscholen in het wild struweel
langs de oude baan naar Gent
stond ooit een somber spookkasteel
in de omtrek wijd bekend

ooit sloeg de eigenaar van 't pand,
van zinnen zwaar beroofd,
zijn gemalin met zware hand
een spijker door het hoofd

in 't kille licht der vollemaan
had hij haar lijf ontknookt
zich in zijn tuin van 't vlees ontdaan
haar schedel afgekookt

het kaarsvet droop in 't duister
langsheen haar drogend been
des nachts weerklonk gefluister,
geknars en wars geween

't kasteel, gehaat, gehoond
stonk zwaar naar zuur en pis
nooit werd het nog bewoond
't kreeg de naam "Verdoemenis".


Bronnen

Rondleiding kasteel Terlinden in de jaren '90
Schoolopdracht SMI 1987

Brandweer Aalst

We kennen ze allemaal wel, de ambulance- en brandweerkazerne in de Vrijheidstraat. 
Momenteel is men naar te toekomst aan het kijken en is men op zoek naar een geschikte lokatie voor een nieuwe veiligheidskazerne. 


Dat Aalst al heel wat meegemaakt heeft in de geschiedenis van de brandbestrijding, daar zal niemand aan twijfelen. 
Niet alleen in andere steden maar ook in Aalst kon een brand uiteraard vrij snel in een ramp ontaarden. Het vuur vond in de dichtbebouwde stadskern telkens een heel gemakkelijke prooi in de smalle straatjes met dicht opeen gepakte huizen met strooien daken en houten gevels.

Blusmateriaal ontbrak in het algemeen en een brandweerkorps hadden we nog niet.

Zo werden er in Aalst een hele resem maatregelen genomen om het brandgevaar proberen te beperken.

In de dertiende eeuw liep een “messagier van der stede”, “alle avonden omtrent den X ueren roupende van straeten tot straeten dat elck syn vier ende licht wel bewaeren soude”.

De eerste échte vorm van brandweer die Aalst bekend is, dateert reeds van 1276 waarbij de wijndragers werden bevolen om bij een brand water te dragen. Er stonden steeds twee rijen burgers van de plaats van de brand naar de waterkant. Een man in het water schepte de emmers vol en gaf die door aan een man op de wal. Daarna werd de emmer van hand tot hand doorgegeven naar de brandhaard. Langs de tweede rij kwamen de lege emmers dan terug om opnieuw te vullen. Deze manier van blussen bleef vrijwel ongewijzigd gedurende vele eeuwen.

Verschillende keren hadden hevige branden het stadsbestuur al verplicht om drastische maatregelen te nemen. Na een hevige brand in 1360, die een groot gedeelte van de stad, waaronder de kerk, vernielde, was men verplicht de huizen met “tichelen” te dekken.

Deze verordening werd later nog verschillende keren herhaald want niet iedereen hield zich hieraan omdat ze zich deze “tichelen” financieel niet konden veroorloven.

In 1412 gebood men onder andere “Dat niemant houtmijten van mutsaerden een stellen souden binnen de poorten van Aelst, naest huusen, want de bailliu ende scepen naer de XIIII nacht omme sullen gaen ende daer sij se te naer bevinden sullen sij bevelen dese wech te doen…”. 
Ook werden er verschillende bepalingen opgesteld in verband met de bouw en de plaats van ovens, open haarden, enz. “… ende al dit sullen de vier wachters besouken elck in sijne straete, t’ elcken dry maenden, ende dat loffelijck te doen beteren"

Rond 1447 werden er door de stadsbesturen ook "vuurwachters" en "buyldraegers" aangesteld. Dat waren de kaaiwerkers en bierkruiers . Ook waren er ambachtslui zoals metsers, schrijnwerkers en loodgieters die om de drie maanden van huis tot huis gingen controleren of de brandvoorschriften wel werden nageleefd. Zo mocht er niemand bij kaarslicht vlas draaien, en moest stro en hout steeds opgestapeld liggen op meer dan tien voet verwijderd van de stookplaats.

Ook in 1447 moest de stadsomroeper bij droog en winderig weer van straat tot straat gaan roepen dat de bewoners emmers water en ladders moesten buiten plaatsen om in geval van nood te kunnen gebruiken.

Later werd dit zelfs wettelijk verplicht, “dheer ende wet deser stede van Aelst aan alle insetenen der selver stede elck voor syne deure te stellene water met cuypen ende daarby de langhste leere …" .

Eerst op de kerktoren en later op het belfort stond een trompetter tijdens de nacht op wacht. Na het opmerken van brand moest hij op zijn trompet het brandsignaal blazen en de brandklok luiden.

Op de toren ontstak hij daarna 3 lantaarns, twee naast elkaar in de richting van de brand en de derde aan de tegenovergestelde zijde, zodat men aan de positie van deze lantaarns kon zien langs welke kant van de stad het onheil zich bevond. Pas nadat de brand bedwongen was mocht hij deze lantaarns doven.

Onze torenwachter moest ook “t’ allen hueren ende half hueren teecken doen op de clocke met ene clop, roupende oock naer elcke wyck, goede wacht ende sorge te draegene voor vier ende keerslicht”.

In 1556 brandden aan de Pontstraat maar liefst 22 huizen af. Na deze brand werden er nog strengere maatregelen genomen “omme te eviteren het perikel van brant”.

Het bedekken van daken met stro werd vanaf dan uitdrukkelijk verboden, men kon zelfs veroordeeld worden tot een boete van 10 pond parisis of 10 jaar ballingschap indien er toch brand uitbrak in een woning met een strooien dak.

Het stadsbestuur kocht in Brussel een grote hoeveelheid “schaliën” die aan bewoners die niet de nodige financiële middelen hadden “met gemak van betaling” werden bezorgd.

Ook verkreeg men financiële steun voor “het afnemen van een quaet huys dat gedeckt was met stroey ende nieu gemaeckt ende ghedeckt met tichelen”.

Ondertussen begon het stadsbestuur na te denken over het oprichten van een 'échte' brandweer.

In 1684 werden de eerste “brantspuyten” ofte ‘vuurwagens’ in Antwerpen aangekocht. In 1715 gevolgd door een aankoop in Zeeland van nog twee kleine brandspuiten en later nog een koperen pomp.

De ‘brandspuyt’ was eigenlijk een vierwielige bak gevuld met water. Een soort waterkanonnetje werd met de hand op en neer bewogen waardoor het water door een lederen slang werd geperst, en zo zijn weg naar het vuur kon vinden. 


In 1751 telde de stad 25 vuurwachters, met 9 ladders en een groot aantal lederen emmers.


Volgens een politieverordening van 1761 werd men tot strenge straffen veroordeeld indien men in het stadscentrum nog huizen bouwde die “met stroye ofte riet, die alsoo facileyck in brandt raecken, soo d’ experientie noch onlanghs heeft geleert”.

In 1762 vroeg het stadsbestuur aan de overheid zelfs de toelating om de huizen van burgers die met deze verordening in overtreding waren, ambtshalve te doen afbreken.

Hierbij de originele tekst van de verordening waarin bepaald werd dat huizen die nog met stro bedekt zijn of worden, zullen afgebroken worden.

Omme te verhoeden het perijckel vanden brand, heeft heere ende weth goet ghevonden te verbieden soo sij verbieden bij desen, dat niemant, wie het sij, eenighe huysen stallen ofte schueren binnen dese stede te decken ofte laten met stroy ofte andere huysen van haute gevels te repareren met haut, op pene dat het selve werck ende reparatie bij den heere stadthauder deser stede sal afghebrocken worden ten coste vande ghene tzelve hebbende doen maecken, ende bovendien te verbeuren ene boete van ses groten, te verdeelen inghevolghe sijne Majesteits placcaeten

Indien er toch brand uitbrak waren niet alleen de vuurwachters, maar ook metsers, timmerlui, loodgieters en schaliedekkers verplicht zich zo snel mogelijk naar de plaats van het onheil te begeven om te helpen het vuur te beperken.
Haken, hamers, bijlen, touwen, ladders en emmers waren toen immers het belangrijkste materiaal om het vuur te helpen bestrijden.
Ook de brouwers waren verplicht te helpen door met hun wagens tonnen water aan te voeren.
Het niet naleven van deze verplichting leverde hen een boete van 5 schellingen op.

De methodes om het vuur te bestrijden waren zowel simpel als vrij drastisch: de aanpalende woningen werden met natte zeildoeken bedekt en soms werden de huizen aan de benedenwindse zijde van de vuurhaard volledig afgebroken of als dit niet snel genoeg ging, met buskruit opgeblazen. Dit alles om te beletten dat het vuur oversloeg en zich razendsnel zou verspreiden. 
Vrij drastisch dus, maar de bewoners van de vernielde huizen kregen wel een vergoeding van het stadsbestuur om hun woning terug op te bouwen.

De tussenkomst van al deze personen was in principe onbezoldigd maar de snelsten en de dappersten kregen meestal een beloning in natura, onder andere bier en wijn.

Op het einde van de 18e eeuw werden door de stad de blusmiddelen overgebracht naar de gebouwen van de paters Kapucijnen aan de Graanmarkt, die meteen ook de naam "spuithuis" meekregen.

Een grote vernieuwing kwam er in de Franse periode omstreeks 1792. De oude stadsreglementen werden vervangen door wetteksten die voor het hele rijk van toepassing waren. Het uiteindelijk doel was het uitvaardigen van een éénvormig brandreglement.

Volgens een politieverordening van 1802 kregen degenen die het eerste bluswater aanbrachten een vergoeding van 9 frank voor de 3 eerste tonnen en 6 frank voor de volgende

In Aalst werd rond 1823 een eerste soort "pompierskorps" opgericht. Bij de keuze van brandspuitmeesters werd terug uitgekeken naar timmermannen, metselaars en loodgieters. Het korps werd daarenboven ook nog aangevuld met andere ambachtslui. Deze werden verplicht aangesteld op straf van boete.
De nachtwakers waren bij het ontstaan van een brand verplicht de ganse stad door "brand" te roepen, en de torenwachter moest de klokken luiden of met zijn trompet alarm slaan.

Omstreeks die periode werd ook het eerste "arsenaal" ingericht waar het brandmaterieel kon opgeborgen worden en gerepareerd. Dit werden de paardenstallen op de binnenkoer van het toenmalige stadhuis.

In 1829 bestond het brandmaterieel van de stad Aalst uit 6 spuiten, 163 emmers, 4 brandhaken en 10 ladders. Vanaf dan werd er bijna jaarlijks allerhande materieel bijgekocht zoals pompen, touwen en waterbakken.

In 1876 werd het "verplichte" pompierskorps afgeschaft en vervangen door een "vrijwilligerskorps".

Uiteindelijk werd een vrijwillig gewapend Pompierkorps gevormd, dat door het gemeentebestuur op 15 maart 1878 en bij K.B. van 4 april 1878 officieel werd opgericht.


De reden van bewapening, eerst enkel met “sabres poignards” en later ook met geweren, was dat zij door het gemeentebestuur ook konden worden ingezet als hulp bij de politie voor het handhaven van de tucht, het breken van stakingen en het neerslaan van eventuele muiterij. Ook bij plunderingen in geval van branden, zouden zij zichzelf en de eigendommen kunnen verdedigen.


In 1900 kocht de stad dan een stoommachine. De brandspuit werd mechanisch aangedreven waardoor het volume van het water groter was.


Tijdens de eerste wereldoorlog moest het korps, op bevel van de Duitsers, dag en nacht, een vaste wacht van 20 pompiers opstellen om in geval van brand door de bombardementen, onmiddellijk paraat te kunnen zijn. Na de oorlog werden zij ook als hulp gevraagd om de huizen te beschermen en om plunderingen tegen te gaan.

In 1926, ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het Aalsters Vrijwillig Pompierskorps, werd het vernieuwde arsenaal aan de Grote Markt ingehuldigd en werd het nieuwe materieel voorgesteld.


Bovenstaand filmpje is een Uniek document dat ter beschikking gesteld wordt door Chris De Naeyer, en dat door hem trouwens werd gered van vernieling. Het toont de inhuldiging van de twee eerste brandweerwagens van de stad Aalst. De originele film berust bij CINEMATEK, het Koninklijk Belgisch Filmarchief. De paarden die het brandweermateiaal trekken, zijn die van de vroegere mouterij "De Wolf-Cosyns" De toenmalige Commandant De Wolf stelde bij brand zijn paarden ter beschikking. Meer info hierover : chris.de.naeyer@skynet.be

Hierbij een fotootje van de voorstelling van het volledige arsenaal op de binnenkoer van het landhuis.


In 1936 volgden er grote feesten ter gelegenheid van de 60ste verjaardag van het korps.


Bij Koninklijk Besluit van 12 juli 1937 moesten onze pompiers de wapens, die ze tot dan toe droegen, inleveren en werd hun hulpfunctie bij ordehandhaving opgeheven.
Vanaf dat ogenblik bestond hun taak enkel en alleen uit brandbestrijding en brandpreventie. Iets wat men misschien beter niet had gedaan, als men ziet dat deze mensen tegenwoordig soms bedreigd worden tijdens de uitoefening van hun hulpacties.

Toen kwam echter de Tweede wereldoorlog. De pompiers werden opnieuw opgeroepen ’voor verplichte dienst’.
Dit maal werd het materieel echter opgevorderd door hoofdzakelijk de steden aan onze Belgische Kust.

Aalsterse brandweer tijdens de eerste dagen van W.O. II


Na de woelige en vernietigende oorlogsjaren, waar de brandweer een heel grote beschermingsrol gespeeld heeft, was alles natuurlijk terug aan vernieuwing en aanvulling toe.

Rond de jaren 60 werd gevraagd om een gemengd korps van beroeps en vrijwilligers op te richten. Er werd aan de statuten gewerkt maar de invoegetreding van dit korps gebeurde pas veel later.

In 1961 werd te Aalst het ’Hulpcentrum 900’ opgestart. 

Dit was gehuisvest in een klein lokaaltje boven de garages van de toenmalige brandweer. 

Deze centrale bediende de oproepen van de telefoonzones Dendermonde 052, Aalst 053 en Ninove-Geraardsbergen 054.


Om een ideetje te geven over de kosten die toendertijd gespendeerd werden aan de brandweer :

- personeelsuitgaven : 182 497 Frank
- materiaaluitgaven : 69 820 Frank

Deze uitgaven werden terugbetaald door het rijk.



Als gevolg van de wet op de civiele bescherming van 31 december 1963, betreffende de reorganisatie van de brandweerdiensten, werd door het Koninklijk besluit van 18 november 1967 het brandweerkorps van Aalst als gewestelijke groep aangeduid.

Dit hield in dat het enerzijds moest bestaan uit een beroepsafdeling en anderzijds uit een afdeling vrijwilligers. Voordien had ook kapitein-commandant G. Vercruysse, brandweerinspecteur, zijn advies over het Aalsterse brandweerkorps aan het ministerie van Binnenlandse Zaken gezonden:

"Rekening houdende met het bevolkingscijfer van zijn verzorgingsgebied en met zijn zeer belangrijk nijverheidsgebied, is het noodzakelijk dat het gemeentelijk vrijwillig brandweerkorps van Aalst overgaat naar een gemengd brandweerkorps, waarin de dienstdoende leden van het hulpcentrum 900 en het vermeerderd effectief van de ambulancedienst dienst zouden nemen in de vaste kern van het gemengd brandweerkorps.   
Ter leniging van de algemene uitgaven van de vaste kern in het brandweerkorps is de jaarlijkse bijdrage van de aangesloten gemeenten op te voeren tot 20 fr. per inwoner, terwijl 50% tevens ten laste te nemen is van het stadsbestuur. 
De vaste kern in het brandweerkorps zou als taak hebben de bediening van het hulpcentrum 900, de ambulancedienst, het onderhoud van het brandweermaterieel en het brandweerstation en de bediening van de brandweerwagens bij een hulpverlening waarvoor dan ook het vrijwillig brandweerpersoneel onmiddellijk zou opgeroepen worden".

Als gevolg van de aanvraag van de stad Aalst werd daarop de jaarlijkse bijdrage, die de aangesloten gemeenten ingevolge de bestaande overeenkomst voor hulpverlening bij brand aan de stad verschuldigd waren, opgevoerd tot 32 fr. per inwoner.

Omdat het korps vanaf 01 juli 1968 als Y-korps zou fungeren en daarom aan de gestelde verplichtingen moest kunnen voldoen, vroeg de toenmalige kapitein-commandant op 09 oktober 1968 aan het college van burgemeester en schepenen de statuten van het korps aan de wet aan te passen. De korpsoverste zou echter nog vele jaren geduld moeten oefenen. Pas op 21 juni 1973 keurde de gemeenteraad het nieuw ’reglement voor organisatie voor de stedelijke gemengde brandweerdienst’ (gemeentecentrum Y) goed. 
Het beroepspersoneel dat zou benoemd worden, had dan de hoedanigheid van gemeentepersoneel. Het vrijwilligerspersoneel had die hoedanigheid niet.

De apparatuur in de hulpcentra 900, die dus dateerde van de jaren '60 werd natuurlijk stilletjesaan ook verouderd. Bovendien wouden verschillende brandweerkorpsen het hulpcentrum 900 combineren met de centrale voor brandweeroproepen. Begin jaren '90 kwamen er dan ook aanbestedingen om de oude apparatuur te vervangen door meldtafels, een soort meubelstuk waarin de apparatuur was geïntegreerd. Via deze meldtafels kon men ook 'pagers' (of 'biepers') activeren, die werden ontworpen door de bedrijven Siemens en Nixdorf. Nog later, naar aanleiding van de Heizelramp in 1985 werden rampenplannen nationaal gevoerd en werd het Hoger instituut voor de Noodplanning gesticht. De communicatie tussen de verschillende hulpdiensten diende te verbeteren, wat resulteerde in de oprichting van het A.S.T.R.I.D.-netwerk. 

Eind 1987 besliste de RTT (Regie voor Telefonie en Telegrafie) dat alle speciale driecijferige nummers die met een '9' begonnen, zouden vervangen worden door een '1'. 
Dit gebeurde om het telefoonnet te kunnen aanpassen aan het Europese net. 
Zo werden op 1 november 1987 de noodnummers 900 (medische hulp), 901 (Rijkswacht) en 906 (gemeentepolitie) omgeschakeld naar 100 en 101, waarbij de oproepcentrale voor de rijkswacht en de gemeentepolitie dus ook gefusioneerd werden. 
Vanuit de hulpdiensten zelf werd deze omschakeling als negatief beschouwd omdat het noodnummer 900 ondertussen ingeburgerd was bij de bevolking en een verandering voor heel wat verwarring zou kunnen zorgen. 
Nu trouwens nog spreken oudere mensen soms van 'den 900' ...
Op 19 augustus 1974 ging de gemeenteraad in geheime zitting over tot de benoeming, in tijdelijk verband, van Emiel Vidts tot kapitein-commandant-diensthoofd, buiten het kader van de stedelijke brandweerdienst en dit tot het ogenblik dat hij de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt.

De raad had zich daarbij onder meer gebaseerd op het feit dat:

- voor de goede werking van het gemengd korps, er best zo snel mogelijk een beroepsofficier in rang van kapitein-commandant-diensthoofd werd aangesteld;

- in het belang van de goede werking van het gemengd korps, zowel op technisch gebied als op het gebied van de goede verstandhouding en de moraal, aan het hoofd van het gemengd korps best een dienstchef zou staan die uit de rangen van het vrijwilligerskorps kwam en die over ervaring, maturiteit, mensenkennis en prestige beschikt om de onvermijdelijk moeilijke overgang tot een goed einde te brengen;

- aan het hoofd van het vroegere vrijwilligerskorps een kapitein-commandant-vrijwilliger stond.

Door de overschakeling naar een beroepsbrandweer ontstonden vacante betrekkingen. In navolging van het stedelijke reglement voor de organisatie van de gemengde brandweerdienst konden sommige van de tot de dienst behorende onderofficieren-vrijwilligers, korporaal-vrijwilligers en brandweerlieden-vrijwilligers tot vast lid van het beroepspersoneel benoemd worden in een graad die gelijkwaardig was aan de hunne, op voorwaarde

- dat zij ten minste 6 jaar als vrijwillig lid in dienst waren: deze termijn van 6 jaar gold op het ogenblik van de benoeming.

- dat zij bij hun pensionering ten minste 30 dienstjaren als beroepskracht zouden tellen: de pensionering kon geschieden op 60-jarige leeftijd en moest geschieden op 65-jarige leeftijd. Het genot van voorgenoemde bepalingen mocht, onder dezelfde voorwaarden ook toegekend worden aan de officieren-vrijwilligers van de dienst die een vaste benoeming als beroepsonderofficier of beroepskorporaal wensten te bekomen. 

Vanaf 01 januari 1975 startte het beroepskader dat deels bestond uit vrijwilligers die genoten hadden van de overgangsbepalingen.

Gezien de toename van voertuigen en materieel werd het "arsenaal" op de binnenkoer van het stadhuis (landhuis) uiteraard veel te klein. Na vele jaren van zoeken naar een gepaste locatie werd er uiteindelijk toch overgegaan tot de bouw van een nieuwe kazerne in de Vrijheidsstraat waar de brandweer in 1975 zijn intrek nam. Hierbij een foto uit de jaren '50 waar nog de huizenrij te zien is die plaats maakte voor de brandweerkazerne.  Dit waren de stadswerkhuizen, met erachter de vismijn. De ingang van de 'pompiers' is in het rood aangeduid.


En hier de kazerne, eigenlijk zoals we ze tegenwoordig nog altijd kennen ... met uitzondering van de wagens die ondertussen vervangen zijn door moderner materiaal.


In de kazerne in het stadhuis (landhuis) was ook een ander, tamelijk belangrijk, probleem te boven gekomen, namelijk het gebrek aan een slangentoren. De vroegere slangen waren uit vlas, en die moesten inderdaad degelijk droog zijn alvorens ze opnieuw werden opgeborgen, of je kreeg al heel gauw rotte en onbruikbare slangen.

Slangen moeten immers gedroogd worden en om dit optimaal te kunnen laten gebeuren, gebeurt dit best uitgerold.
Het minste plaats innemende is : opgehangen in een toren (die aan het stadhuis dus ontbrak).
Toen werden die dus dubbel geplooid over een balk in de garage gelegd. Een oplossing, maar natuurlijk niet ideaal.
Bij de bouw van de nieuwe kazerne werd die toren dus wel voorzien. Nu nog steeds worden de slangen gewassen, en opgehangen in de toren. 

Hierbij een foto van de  toren, genomen via een garage aan de Nestor De Tièrestraat



1976. Een jaar na de overgang naar het gemengde kader bleek de coördinatie tussen het beroeps-en vrijwilligerspersoneel niet zo harmonieus te zijn verlopen. Om een betere samenwerking te bekomen werd een poging gedaan om een raad samen te stellen die adviezen zou uitbrengen nopens allerlei problemen en onderwerpen die zowel de dienst ten goede komen als de samenhorigheid en de verstandhouding zouden bevorderen.

De opgerichte raad, onder voorzitterschap van de officier-diensthoofd, bestond telkens uit 1 officier, 2 onderofficieren, 1 korporaal en 3 brandweermannen van de beroeps en van de vrijwilligers. De verkozen leden verbonden zich ertoe tenminste ééns per maand de vergadering bij te wonen. Tijdens de vergadering van december 1994, toen de korpsdag in het teken van "Twintig jaar gemengde brandweer" stond, ging kapitein-commandant Jacques Baudewijn in op bestaande problemen en verheelde niet dat er soms nog ontstemming bij de korpsleiding te bespeuren viel. De twintig voorbije jaren was een tijd van vallen en opstaan, van vlijt en revolutie geweest. 

Commandant De Vidts, kapitein De Naeyer en de beroepsadjudanten Ruyssinck en Michiels kregen de onmogelijke opdracht om beroepsmensen en vrijwilligers met elkaar te verzoenen en beide groepen verder te bekwamen tot echte beroepslui.

Eveneens in 1977 was de leiding met de fusie der gemeenten geconfronteerd geweest. Dit betekende de adoptie van het volwaardige korps van Erembodegem en het primair uitgeruste vrijwilligerskorps van Moorsel.

Een echte verzoening is er eigenlijk bijna nooit geweest.
In 2009 was het hek alweer van de dam toen burgemeester Ilse Uyttersprot dinsdagavond verkleed als agente wegvluchtte van de gemeenteraad. Ze deed dit om te kunnen ontsnappen aan woedende brandweermannen.

De brandweerlieden van Aalst voerden toen acties omdat ze zich niet konden vinden in een aantal hervormingen. Zo zouden ze shiften van twaalf uur (in plaats van acht uur) moeten werken, zou de operationele dagploeg afgeschaft worden en zou het premiestelsel vervangen worden door een forfaitair bedrag.

Met hun brandweerwagens, sirenes, voetzoekers, rookbommen en luide muziek schiepen zij een woelige sfeer en bedekten de Grote Markt met een gigantisch schuimtapijt. De zitting, met een zestigtal brandweerlui aanwezig op de tribune, verliep woelig maar wel zonder tastbaar resultaat voor de brandweerlui. Die beslisten daarop om hun brandslangen in stelling te brengen en burgemeester Ilse Uyttersprot (CD&V) na afloop van de zitting op een verkwikkende douche te trakteren. De burgemeester had duidelijk geen zin in een nat pak en vond er niets beters op dan langs een zijdeur van het stadhuis te ontsnappen, verkleed als politievrouw

Ze kon op die manier ontsnappen aan de brandweerlieden, maar niet aan het oog van de camera's .... en al evenmin aan de scherpe humor van de Aalsterse carnavalisten. Het mag duidelijk zijn dat ‘de vlucht van Ilse’ een heel dankbaar onderwerp was tijdens de volgende carnavalsstoet.

In de nasleep van de gasramp in Ghislenghien in juli 2004 wordt door toenmalig federaal minister van Binnenlandse Zaken Patrick Dewael de "Begeleidingscommissie voor de hervorming van de Civiele Veiligheid" opgericht onder het voorzitterschap van de Antwerpse provinciegouverneur Camille Paulus.

Deze commissie Paulus formuleert belangrijke aanbevelingen en zet de krijtlijnen uit voor de hervorming van de brandweerdiensten.

Op 17 februari 2009 wordt het Koninklijk Besluit tot vaststelling van de territoriale afbakening van de hulpverleningszones in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd, waarbij België verdeeld wordt in 32 zones die de organisatiestructuur van de toekomstige brandweerdiensten zullen vormen.

De hulpverleningszone Zuid-Oost ( Oost-Vlaanderen ) groepeert de brandweerkorpsen van Aalst, Denderleeuw, Erembodegem, Geraardsbergen, Lede, Moorsel, Ninove, Wetteren en Wichelen.


Niet minder dan 500 ambulanciers en brandweerlieden staan 24/24 u. in voor de veiligheid van de 290.000 inwoners van de steden en gemeenten Aalst, Denderleeuw, Erpe-Mere, Geraardsbergen, Haaltert, Laarne, Lede, Lierde, Ninove, Wetteren en Wichelen.

Voor burgemeester D'Haese was de realisatie van een veiligheidskazerne, waar alle hulpdiensten zouden gegroepeerd worden, een prioriteit bij de verkiezingen. In 2019 was echter al duidelijk dat het niet voor 'direct' zou zijn. 
In de meerjarenplanning tot 2024 staan immers enkel kosten voor voorbereidende studies, niet om te bouwen. Eerste obstakel is een plaats vinden om het nieuwe gebouw te kunnen neerpoten en een tweede is dan de partners hiervan te overtuigen. 
Het nieuwe gebouw zal immers niet enkel de brandweer en de ambulance huisvesten, maar ook de politie. Voor de politie is er geen probleem, gezien die beslissing door de gemeenteraad genomen wordt. Voor de brandweer ligt dat anders. Daar moet goedkeuring komen van een tiental andere partijen, andere steden en gemeentes.

Eind april 2024 wordt er wel gewag gemaakt van een nieuw onderkomen voor de Aalsterse politie. Het gebouw aan de parking van de Keizershallen blijkt veel te klein te zijn. Terwijl wordt ook gesproken over het ondergronds brengen van de bewuste parking ... 
Van de brandweer echter geen woord ...

Om af te sluiten nog enkele branden in het Aalsterse waar nog steeds over gesproken wordt : 

- verslag van een 'groote brand' in 1931 : Klik hier
- de brand in de St Martinuskerk in 1947 : Klik hier
- de brand in het St Elisabethhospitaal in 1976 : Klik hier
- de brand in de Flora in 1987 : Klik hier
- de brand in de carnavalswerkhallen in 2016 : Klik hier

Dit zijn er maar enkele uiteraard, maar weet dat deze diensten steeds paraat staan om ons te helpen, dag en nacht 24/7 en vaak met gevaar voor eigen leven!!!


Bronnen

Rondleiding brandweer
Rondleiding brandweermuseum Erembodegem
Foto's brandweermuseum Erembodegem
Persartikels 2000-2024

vrijdag 17 mei 2019

Pierre Cornelis - Pierre Cornelisstadion


Pierre (Petrus) Cornelis (1889-1945) was een Aalsters fabriekbestuurder, liberaal gemeenteraadslid en voormalig schepen van de stad Aalst. Maar het bekendst is hij als ex-voorzitter van Eendracht Aalst. 


Pierre Cornelis studeerde aan de Staatsmiddelbare Jongensschool te Aalst en werd regent, werkte zich verder op en trad in juni 1914 in dienst bij de Glucoserie Hyacinthe Leclercq. Daar werd hij uiteindelijk ook directeur.

Hij was liberaal gemeenteraadslid in 1932 en werd twee jaar later kortstondig schepen van onderwijs, een taak die hij buitengewoon goed behartigde en heropnam in 1939. 
Hij had een grote invloed op het stedelijk onderwijs. 
Onder zijn schepenambt werd op 09-04-1939 dan ook de eerste steen gelegd van het huidige Koninklijk Atheneum.

Pierre was in Aalst en de regio een welbekende en graag geziene figuur. Naast zijn politieke en industriele activiteiten vond hij nog de tijd voor cultuur en sport.
Hij was stichter van het Aalstersche Kunstenaarsgilde, dat met medewerking van Aalsterse nijveraars de plaatselijke kunstschilders finacieel steunde. Het wereldje van de kunstschilders was hem zeker niet onbekend, Valerius de Saedeleer was trouwens zijn schoonbroer.

Pierre was ook stichter en voorzitter van de Bond der Oud-Leerlingen van de Staatsmiddelbare School. Niet minder populair was hij, terug in de sportmiddens, als voorzitter van de voetbalclub Eendracht Aalst, en dit gedurende een periode van vijftien jaar.

Zeer dramatisch waren de omstandigheden waarin hij om het leven kwam.
Tijdens de laatste oorlog oefende hij het ambt uit van schepen van ravitaillering. 
Hij nam zijn verantwoordelijkheid op en zorgde voor de regelmatige bevoorrading van de burgers, steunde het verzet en bleef niet onverschillig voor de werkweigeraars en onderduikers. 

Door zijn functie kwam hij regelmatig in contact met de bezettende overheid, wat een aanleiding werd voor een lastercampagne tijdens de bevrijding: zijn goede naam en eer werden besmeurd.

Vanuit een bepaalde hoek werd hem verraad en collaboratie verweten. Het is echter nooit zwart op wit bewezen dat hij zich tot zulke praktijken zou hebben geleend.
Toch zal hij deze leugenachtige campagne met zijn leven bekopen. 

In de nacht van 15 op 16 mei 1945 werd hij in zijn woning, Dirk Martensstraat 71, lafhartig neergeschoten door leden van een communistisch gezinde vermeende weerstandsgroep. De vier daders werden in 1948 zwaar veroordeeld, één ervan kreeg de doodstraf.

Hierbij een foto van het graf van Pierre 


Eén jaar na de dood van Cornelis werd de Boudewijnkaai omgedoopt tot Pierre Corneliskaai.

Petrus trouwde met Amanda De Saedeleer. Amanda is geboren op 11-03-1889 in Aalst. Amanda is overleden op 25-02-1967 in Aalst, St.Elisabeth-ziekenhuis, 77 jaar oud.

Bert Van Hoorick over de zaak Cornelis uit 'in tegenstroom' p204/205:

Woensdag 16 mei - ik ben pas 16 dagen thuis - wordt Aalst opgeschud door een gerucht dat als een vuurtje onder de bevolking loopt:schepen Pierre Cornelis is gisterenavond vermoord.

Enkele dagen voordien stond hij vermeld op een aanplakbrief waarin de aanhouding werd geëist van tien bij name genoemde ingezetenen van de stad die als 'collaborateurs' vernoemd, desnoods aan de volkswoede zouden overgeleverd worden.

Dinsdag laat op de avond - zo wordt vernomen - hebben drie onbekenden zich aan de woning van de liberale schepen aangeboden, zogezegd als agenten van de Staatsveiligheid.

Mevrouw Cornelis laat hen binnen maar haar man is niet thuis, hij is naar zijn wekelijkse vergadering van 'Eendracht-Aalst', de voetbalclub waarvan hij voorzitter is. Maar de drie gewapende mannen geloven haar niet en terwijl een van hen de toegangspoort van het herenhuis bewaakt, stormen de anderen de trappen op, naar de eerste verdieping.

Op hetzelfde ogenblik stapt schepen Cornelis zijn woning binnen en wordt een stengun op hem gericht.'Zijt gij Cornelis?' wordt hem nog gevraagd, want die mannen kennen hem niet eens.

'Ja, dat ben ik,'zegt hij en op slag wordt hij neergeschoten.

De drie onbekenden zijn dan weggevlucht, maar een van hen is nog even op zijn stappen teruggekeerd om de zieltogende Cornelis van zijn portefeuille te beroven.

Onder de burgers van de stad is de verontwaardiging algemeen.Ook de kommunistische Partij veroordeelt de moord op Cornelis en tijdens een spoedvergadering van de gemeenteraad wordt gewag gemaakt van een mogelijke politieke misdaad.

Wegens de vooraf op de muren aangebrachte aanplakbrief van het Onafhankelijksfront weegt een zware verdenking op leden van de harde kern van deze verzetsorganisatie.Hoewel het gerechtelijk onderzoek pas na vele maanden tot de aanhouding van de daders zal leiden, berokkent deze moord heel wat schade aan de, nochtans populaire, kommunistische Partij...

Natuurlijk kennen we allemaal het Pierre Cornelisstadion, het voetbalstadion van Eendracht Aalst dat dus de naam van deze bijzonder invloedrijke man draagt.
Het is sedert 1828 de thuishaven van 'onzen Iendracht'.
Het stadion telde 7500 plaatsen (4000 staanplaatsen + 3500 zitplaatsen). Dat werd later teruggebracht naar 4500, en nog later opnieuw bijgesteld naar 6294 plaatsen.

Het stadion is gelegen aan de Bredestraat, vlak bij de viaduct over de Dender, die meteen ook dienst doet als 'parking' tijdens de thuismatchen.
De volledig overdekte staantribunes bevinden zich langs één langszijde : tribune K voor de thuisploegen, tribune I voor de bezoekers, beide netjes gescheiden door 'bufferzone J' voor de neutrale supporters.
De overdekte zittribunes bevinden zich aan de andere lagnszijde : trubunes A,B,C,D en E bovenaan en G beneden. De tribunes B, C en D bestaan uit business seats en helemaal bovenaan bevinden zich ook nog enkele Skybox-seats.
Achter één van de doelen zijn er geen plaatsen voorzien. De andere breedtezijde wordt volledig ingenomen door de Europpatribune, die bestaat uit de tribune H onderaan (zitplaatsen achter het doel) en indoor business seats bovenaan.

Oorspronkelijk speelde Eendracht Aalst aan de 'Puiteput' (einde Sint Annalaan), en in 1928 verhuisde men naar de huidige locatie. Het stadion werd omgedoopt tot 'Pierre Cornelisstadion' na het overlijden van Pierre Cornelis, vijftien jaar voorzitter van de club. De verhuis van de 'Puiteput' naar de nieuwe locatie (aan de kerk van 't Heilig Hart) wordt trouwens ook bezongen in het alomgekende supporterslied van Kamiel Sergant : 'Van oon de Poitepit, tot oon het Hoilig Hert, ...'

Eendracht Aalst kende zijn gloriejaren in de jaren '90 en het stadion was dan vaak geheel bezet, met pieken van maar liefst 12000 supporters.
In de jaren '80 waaide een deel van de staantribune weg, die toen geheel moest vervangen worden..
Later werd deze tribune door toenmalig burgemeester Annie De Maght zelfs tijdelijjk gesloten omwille van de veiligheid.

De club vierde in 2019 trouwens zijn 100-jarig bestaan, na een hele reeks van pieken en dalen.

In 2024 eindigde het verhaal van stamnummer 90 op chaotische wijze...

In het Pierre Cornelisstadion wordt vanaf dan gevoetbald door de fusieclub EA Lede.


Bronnen

Wikipedia 
'In tegenstroom' - Bert Van Hoorick
eendrachtaalst.be/
Foto graf : eigen foto